 |
|
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 |
 | formele documenten ABNG-2000volledige tekst |
|
|
Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke G
|
STATUTEN ABNG-2000
Naam, vestigingsplaats en duur
Artikel 1.De vereniging draagt de naam: “Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde - 2000” bij afkorting ABNG-2000 te noemen.1.2 De vereniging is gevestigd te Amersfoort. 1.3 De vereniging is aangegaan voor onbepaalde tijd.
Doel
Artikel 2.Doel van de vereniging is: het in zo breed mogelijke zin behartigen van de belangen van haar leden, in het bijzonder het op professioneel en academisch niveau bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van natuurlijke en biologische methoden ter voorkoming van ziektehet herstel van gezondheid bij individuele personen.2.2 De leden van de vereniging hanteren hierbij de volgende uitgangspunten: Algemeen: a. De ABNG-2000 arts is primair arts en oefent zijn beroep uit op basis van de wet Beroepsuitoefening Individuele Gezondheidszorg, inhoudende dat hij verantwoorde zorg geeft conform zijn opleiding. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan: zorg van een goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de patiënt. b. Tevens houdt dit in dat de ABNG-2000 arts een standaard medische anamnese afneemt en een standaard lichamelijk onderzoek verricht, dat hij werkt volgens de gedragsregels van een in Nederland opgeleide arts en dat hij actie onderneemt c.q. behandelt of verwijst bij het constateren van alarmsymptomen, bij acute ziekten of bij levensbedreigende cq. integriteitbedreigende situaties. Specifiek: c. Het gaat om de gehele mens, niet slechts om diens zieke orgaan. Bij ziekte en gezondheid gaat het steeds om de wisselwerking en balans tussen de mens en zijn omgeving zowel in materiële als in immateriële zin. Aan de gezondheidsbevordering en ziektebestrijding liggen gezonde leefwijzen en een zo natuurlijk mogelijk leefmilieu ten grondslag. In de behandeling staat steeds voorop dat de patiënt zelf de verantwoordelijkheid draagt voor zijn gezondheid. d. Behoudens het gebruik van een enkelvoudig middel zal het doorgaans gaan om een samenstel van behandelwijzen en therapievormen. Daartoe staat de arts een breed scala aan gevalideerde methoden ter beschikking. Bij de keuze daaruit wordt rekening gehouden met het behandeldoel, de herstelfase van de patiënt en diens specifieke reactiewijzen op de behandeling. De ABNG-2000 arts bepaalt de behandeling in overleg met de patiënt. e. De ABNG-2000 arts volgt het aloude “Primum Nil Nocere”, dat wil zeggen dat door zijn handelen en door hem voorgeschreven therapie in beginsel geen schade zal worden veroorzaakt. Bijvoorbeeld zullen, naarmate het risico op een bijwerking van een methode groter is, de eisen voor de veiligheid van onderzoek en therapie strenger zijn.De ABNG-2000 arts heeft de specifieke ABNG-opleiding cq. een door het bestuur gelijkwaardig geachte opleiding gevolgd. Hij volgt bij- en nascholing (ook algemeen medisch) en onderwerpt zich aan de klacht- en tuchtregeling. Vanuit het streven naar een hoge kwaliteit van medisch handelen neemt hij deel aan vormen van intercollegiaal overleg en toetsing.g. De ABNG-2000 arts plaatst de hiervoor beschreven uitgangspunten binnen het kader van een ecologische visie op mens, aarde en kosmos en zal naar vermogen, en waar gewenst samen met gelijkgestemden, streven naar verwezenlijking van deze visie in zo breed mogelijke zin.
2.3. Ter realisering van haar doel, ontwikkelt de vereniging de volgende activiteiten:De kritische onderbouwing van het vakgebied (ondermeer door het bevorderen van wetenschappelijk onderzoek), alsmede het bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door haar ledenHet organiseren van opleidingen en nascholingenHet nastreven van erkenning en intergratie in de Nederlandse gezondheidszorg Het bevorderen van een vrije geneeswijzenkeuze voor de patiënt en van de algeheel maatschappelijke acceptatie van de natuurlijke geneeswijzenHet doen realiseren van adequate voorwaarden voor ziektekostenverzekering door overheid en zorgverzekeraarsHet instellen van klacht- en tuchtregelingenHet geven van voorlichting en informatie over de door de leden gevolgde benaderingswijzen en de daarbij geldende uitgangspuntenHet verlenen van nader te bepalen diensten aan de ledenSamenwerking en afstemming met andere, daarvoor in aanmerking komende organisatiesAlle overige activiteiten die bevorderlijk worden geacht voor het doel
Geldmiddelen
Artikel 3. De geldmiddelen van de vereniging bestaan uit contributies van haar leden, subsidies, legaten, erfstellingen, schenkingen, opbrengsten van eventuele diensten en beleggingen, en andere baten.
Lidmaatschap
Artikel 4. 4.1. De vereniging bestaat uit registerleden en uit niet-geregistreerde leden. Onder de niet-geregistreerde leden vallen de volgende categorieën: praktiserende, niet geregistreerde leden, aspirant-leden, ereleden en buitengewone leden, voorzover toegelaten door de Algemene Ledenvergadering.Registerleden zijn artsen die volledig voldoen aan de registratie eisen zoals die in het Huishoudelijke Reglement van de ABNG-2000 zijn vastgelegd en die een praktijk voeren voor natuurlijke en/of biologische geneeskunde, overeenkomstig de in artikelen 2.1 en 2.2 genoemde uitgangspunten.Praktiserende, niet geregistreerde leden zijn artsen die niet in aanmerking komen voor registratie in de zin van artikel 4.1.a en die prijs stellen op toelating tot c.q. voortzetting van het lidmaatschap van de ABNG-2000, al dan niet met het voornemen tot het behalen van de registratie eisen.Aspirant-leden zijn (semi)artsen die zich hebben aangemeld voor het register-lidmaatschap en daartoe de ABNG-2000 opleiding volgen.Ereleden zijn ABNG-2000 registerleden die zich op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de natuurlijke en biologische geneeskunde in het algemeen of voor de ABNG-2000 in het bijzonder.Buitengewone leden zijn personen (niet tot de bovengenoemde categorieën behorend) die belangstelling hebben voor de natuurlijke en biologische geneeskunde in het algemeen of voor de ABNG-2000 in het bijzonder, dan wel zich daarvoor op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaaktNieuwe leden worden op voordracht van het bestuur door de Algemene Ledenvergadering in een van de genoemde lidmaatschapscategorieën toegelaten. 4.2. Het lidmaatschap van een ABNG-2000 arts eindigt bij:Overlijden van het lidSchriftelijke opzegging door het desbetreffende lidWanbetaling Royement op voordracht van het bestuur en met instemming van de Algemene LedenvergaderingHet aspirant-lidmaatschap duurt maximaal 4 jaar. Na deze termijn wordt na toestemming door de Algemene Ledenvergadering overgegaan tot het praktiserend lidmaatschap 4.3 Indien het lidmaatschap eindigt door één van de in de leden 4.2.c en 4.2.d genoemde redenen, heeft betrokkene het recht tegen het ontslag als lid in beroep te gaan bij de Algemene Ledenvergadering. 4.4 Aan de Vereniging staan de middelen van waarschuwing, berisping, schorsing, boeteoplegging en royement ter beschikking.
Organisatie van de vereniging
Artikel 5.De ABNG-2000 bestaat uit tenminste twee vakgroepen, waaronder de vakgroep Natuurgeneeskunde en de vakgroep Niet-Toxische Tumortherapie. Zij functioneren bij zelf geformuleerd en door de Algemene Ledenvergadering goedgekeurd reglement.De activiteiten van de vakgroepen richten zich op de inhoudelijke aspecten van de binnen de betrokken vakgroep aan de orde zijnde vorm van geneeskunde. Beleidsmatige zaken worden in beginsel behartigd door het ABNG-2000 bestuur c.q. de door haar ingestelde commissies en werkgroepen.Nieuwe vakgroepen worden ingesteld bij besluit van de Algemene Ledenvergadering op voordracht van het bestuur. Criteria voor de instelling van nieuwe vakgroepen worden nader uitgewerkt in het Huishoudelijk Reglement. Besluitvorming over het instellen van een vakgroep worden genomen conform het gestelde in artikel 8.2. van deze statuten.Iedere vakgroep heeft het recht één vertegenwoordiger aan te wijzen in het bestuur, alsmede in iedere, door de Algemene Ledenvergadering aangewezen commissie.Het verenigingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
De algemene ledenvergadering
Artikel 6. 6.1. De Algemene Ledenvergadering (ALV) komt ten minste twee keer per jaar bijeen, aan te duiden als Voorjaarsvergadering respectievelijk Najaarsvergadering. De Voorjaarsvergadering wordt vóór 1 april gehouden en draagt het karakter van een jaarvergadering. 6.2. Alle leden hebben toegang tot de Algemene Ledenvergadering; stemrecht daarin hebben uitsluitend de registerleden die hebben voldaan aan hun verplichtingen jegens de vereniging 6.3. De ALV bepaalt het beleid van de vereniging. 6.4. In de Voorjaarsvergadering komen in elk geval aan de orde:Het jaarverslag van de penningmeester alsmede de definitieve vaststelling van de begroting en de akkoordverklaring door de kascommissie. De begroting wordt uiterlijk per 1 december van het voorafgaande jaar in conceptvorm aan het bestuur aangeboden.Het jaarverslag van de secretarisVerslagen van de vakgroepen, van de commissies en van de werkgroepenDe bestuurssamenstelling6.5 De secretaris van het bestuur nodigt tenminste twee weken van tevoren alle leden schriftelijk uit tot het bijwonen van de Algemene Ledenvergadering met bijvoeging van de agenda en stukken van deze vergadering. 6.6 De Algemene Ledenvergadering kiest uit haar midden het bestuur. 6.7 De Algemene Ledenvergadering stelt desgewenst commissies of werkgroepen in, formuleert hun taken en bevoegdheden en ziet toe op de juiste uitvoering van hun werkzaamheden. 6.8 Indien tenminste vijf gewone leden of, indien dit een kleiner aantal is: een/tiende der stemgerechtigde leden, de wens daartoe te kennen geven, roept het Bestuur binnen veertien dagen een Buitengewone Ledenvergadering bijeen op een termijn van niet langer dan vier weken. 6.9 Besluiten worden ingeval van zaken bij mondelinge stemming genomen; ingeval van personen wordt schriftelijk gestemd tenzij de vergadering in een andere procedure toestemt. 6.10 Besluiten worden genomen met een eenvoudige meerderheid van stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden, behoudens het bepaalde in artikel 8. 6.11 De boeken van de vereniging worden jaarlijks per eenendertig december afgesloten en daaruit worden een balans- en exploitatierekening gemaakt; vaststelling van de balans- en van de exploitatierekening door de Algemene Ledenvergadering strekt het Bestuur tot décharge. 6.12 Het bestuur kan belangstellende personen uitnodigingen tot bijwoning van (een deel van) de Algemene Ledenvergadering.
Het Bestuur
Artikel 7.a) Het bestuur bestaat uit minimaal drie en maximaal negen leden b) De Algemene Ledenvergadering stelt het aantal bestuursleden vastHet bestuur wordt voor de duur van een jaar benoemdBestuursleden zijn onbeperkt herkiesbaar7.2 De verkiezing van het bestuur geschiedt door de Algemene Ledenvergadering; daarbij wordt de voorzitter in functie verkozen en verdelen de gekozen bestuursleden de overige functies onderling met in acht neming van het bepaalde in artikel 5.4 van deze statuten.. 7.3 Het bestuur regelt alle lopende zaken de vereniging betreffende op geleide van het door de Algemene Ledenvergadering bepaalde beleid. 7.4 Het bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of tenminste twee van de overige bestuursleden dat wenselijk acht(en). 7.5 Het bestuur c.q. tenminste twee daartoe door haar aangewezen leden vertegenwoordig(t)en de vereniging in en buiten rechte. 7.6 Het bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, tot het sluiten van overeenkomsten, waarbij de vereniging zich als borg- of hoofdelijke medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt.
Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 8. 8.1 Wijzigingen in de statuten dienen tevoren te worden geagendeerd en kunnen slechts met tweederde meerderheid van stemmen worden aangenomen door de Algemene Ledenvergadering. 8.2 Indien ter vergadering minder dan 50% der stemgerechtigde leden aanwezig zijn voor het nemen van een geldig besluit, dan wordt een tweede vergadering uitgeschreven. Alsdan volstaat een tweederde meerderheid van stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden, voor de goedkeuring van het betreffende besluit. 8.3 De vereniging zal worden ontbonden indien tenminste tweederde van de aanwezige en stemgerechtigde leden in een voor dit doel geconvoceerde Algemene Ledenvergadering, deze wens te kennen geven. In deze vergadering worden een of meer liquidateurs benoemd. Een eventueel batig saldo zal door de Algemene Vergadering zoveel mogelijk in overeenstemming met het doel van de vereniging worden aangewend. 8.4 Bij besluit van de Algemene Ledenvergadering kunnen vorengenoemde artikelen nader worden uitgewerkt in een huishoudelijk reglement. 8.5 In gevallen waarin deze statuten niet voorzien, beslist het Bestuur, zo mogelijk na de leden daarover tevoren te hebben geraadpleegd.
|
HUISHOUDELIJK REGLEMENT ABNG-2000
|
INHOUD
ARTIKEL 1 NAAM
ARTIKEL 2 LIDMAATSCHAP
Lid 1. De leden Lid 2. RegisterledenLid 3. Niet-register leden Lid 4. Aspirant-leden Lid 5. Ereleden Lid 6. Buitengewone ledenLid 7. Beëindiging lidmaatschap Lid 8. Hertoetreding
ARTIKEL 3 ALGEMENE BEPALINGEN
Lid 1. Ledenvergadering Lid 2. Bijzondere ledenvergadering Lid 3. Aankondiging ledenvergadering Lid 4. Rechtsgeldigheid Lid 5. Quorum
ARTIKEL 4 HET BESTUUR
Lid 1. Aantal bestuursleden Lid 2. Verkiezing Lid 3. Veranderingen bestuur Lid 4. Aftreding bestuurslid Lid 5. Aftreding voorzitter Lid 6. Aftreding volledig bestuur Lid 7. Toegevoegde leden Lid 8. Naar buiten tredenLid 9. Jaarverslag en begroting Lid 10. Secretariaat Lid 11. DechargeLid 12. Contributie bestuursledenLid 13. Vergoeding bestuursleden
ARTIKEL 1 NAAM
De vereniging is genaamd Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde – 2000 (ABNG-2000) en is gevestigd te Amersfoort.
ARTIKEL 2 LIDMAATSCHAP
Lid 1. De leden
De vereniging bestaat uit registerleden, niet-register leden, aspirant-leden, ereleden en buitengewone leden. Lid 2. Registerleden A. Voorwaarden voor het registerlidmaatschapHet artsendiploma, de BIG-registratie en de ABNG-2000 registratie.Het ABNG-2000 opleidingsdiploma of een andere, daarmee vergelijkbare opleiding, dit ter beoordeling van de opleidingscommissie en / of het bestuur.Registerleden worden op voordracht van het bestuur door de algemene ledenvergadering toegelaten.Van registerleden wordt verwacht dat zij de gedragscode van de KNMG en het Beroepsprofiel ABNG-2000 onderschrijven en naleven. B. Verantwoordelijkheden en rechten van de registerledenContributie Registerleden betalen jaarlijks contributie.Het contributiebedrag voor het registerlidmaatschap wordt op voorstel van het bestuur in de ALV bepaald en bedraagt 400 euro in het verenigingsjaar 2003.Het is aan het bestuur ten alle tijde toegestaan de hoogte van het contributiebedrag te verminderen indien de persoonlijke omstandigheid van het betreffende lid daartoe aanleiding geeft. Zo zal bij het bereiken van de vijfenzestig jarige leeftijd aan het betreffende lid op diens verzoek een reductie van 50% op het contributiebedrag worden toegekend.Registerleden worden opgenomen in het ledenregister van de ABNG-2000 welke voor externe doeleinden wordt gebruikt.Krijgen alle verenigingsstukken toegezonden.Krijgen toegang tot algemene ledenvergaderingen (ALV).Hebben stemrecht in de ALV.Krijgen, tegen gereduceerde betaling, toegang tot symposia en congressen. C. Behoud van het registerlidmaatschap / herregistratieNascholingRegisterleden volgen jaarlijks natuurgeneeskundige nascholing en algemeen medische nascholing. Het aantal verplichte nascholingsdagen wordt op voorstel van het bestuur in de ALV vastgesteld en bedraagt voor 2003 vier dagen natuurgeneeskundige nascholing en twee dagen algemeen medische nascholing.De natuurgeneeskundige nascholingsdagen kunnen ABNG-2000 symposia of opleidingsdagen te zijn of daaraan gelijkgestelde dagen, zulks ter beoordeling van de registratiecommissie.Goedkeuring van andere dan de bij artikel 2-2-C-b genoemde nascholingsdagen dienen van te voren, schriftelijk aan de registratiecommissie te worden aangevraagd.Als algemeen medische nascholingsdagen gelden nascholingsdagen welke door de registratiecommissie, of door de Landelijke Huisartsen Verenging of door de Stichting Homeopathische Opleidingen of door de opleidingscommissie van de NAAV daartoe zijn goedgekeurd.WerkervaringDe registerleden dienen om de registratie te behouden minimaal zeven uur per week en veertig weken per jaar als ABNG-2000 arts in de directe patiëntenzorg werkzaam te zijn.Informatie hieromtrent wordt aan de registratiecommissie op de jaarlijkse enquête verschaft. HerregistratieDe beoordeling van de herregistratie geschiedt op basis van de informatie welke door het lid is verstrekt op de jaarlijkse enquête, tezamen met kopieën van de nascholingscertificaten.Herregistratie vindt eenmaal per drie jaar plaats.Bij de beoordeling van de herregistratie houdt de registratiecommissie, indien daartoe aanleiding bestaat, rekening met persoonlijke en huislijke omstandigheden van het betreffende lid. Daarbij doet de registratiecommissie een voorstel voor een te treffen regeling.In geval van onoverkomelijke meningsverschillen betreffende de herregistratie beslist het bestuur.Lid 3. Niet-register leden
A. Voorwaarden voor het lidmaatschap van niet-register ledenHet artsendiploma Het ABNG-2000 opleidingsdiploma of een andere, daarmee vergelijkbare opleiding, dit ter beoordeling van de opleidingscommissie en / of het bestuur.Niet-register leden worden op voordracht van het bestuur door de algemene ledenvergadering toegelaten.Van niet-register leden wordt verwacht dat zij de gedragscode van de KNMG en het Beroepsprofiel ABNG-2000 onderschrijven en naleven.B. Verantwoordelijkheden en rechten van de niet-register ledenContributie Niet-register leden betalen jaarlijks contributieHet contributiebedrag voor het lidmaatschap voor niet-register leden wordt op voorstel van het bestuur in de ALV bepaald en bedraagt 200 euro in het verenigingsjaar 2003.Het is aan het bestuur ten alle tijde toegestaan de hoogte van het contributiebedrag te verminderen indien de persoonlijke omstandigheid van het betreffende lid daartoe aanleiding geeft. Zo zal bij het bereiken van de vijfenzestig jarige leeftijd aan het betreffende lid op diens verzoek een reductie van 50% op het contributiebedrag worden toegekend.Niet-register leden krijgen alle verenigingsstukken toegezonden.Krijgen toegang tot de algemene ledenvergaderingen (ALV). Krijgen, tegen gereduceerde betaling, toegang tot symposia en congressen.
Lid 4. Aspirant-leden
A. Voorwaarden voor aspirant-lidmaatschapAspirant-leden zijn artsen die zich aanmelden bij de ABNG-2000 met de bedoeling om lid te worden.Zij volgen een, door de ABNG-2000 geschikt geachte opleiding.Zij melden zich schriftelijk aan door invulling van het aanmeldingsformulier van de opleiding.Het aspirant-lidmaatschap wordt door het bestuur verleenden duurt maximaal vier jaar B. Rechten van de aspirant-ledenAspirant-leden betalen contributie ter hoogte van 25 % van het contributiebedrag voor het registerlidmaatschap.Krijgen alle verenigingsstukken toegezondenKrijgen toegang tot algemene ledenvergaderingen Hebben geen stemrechtKrijgen, tegen gereduceerde betaling, toegang tot symposia en congressen
Lid 5. Ereleden
A. Voorwaarden voor erelidmaatschap ereleden zijn personen van binnen of buiten de ABNG-2000 die naar het oordeel van het bestuur zich op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt voor de natuurgeneeskunde in het algemeen of voor de ABNG-2000 in het bijzonder.het erelidmaatschap wordt op voordracht van het bestuur door de ALV verleend.het erelidmaatschap geldt voor de duur van het leven.B. Rechten van ereledenEreleden betalen geen contributie, maar worden uitgenodigd een donatie te doen.Houden dezelfde rechten als niet-register leden.Alleen ereleden die ook in het register vermeld staan hebben stemrecht.Krijgen alle verenigingsstukken toegezonden.Krijgen toegang tot de algemene ledenvergaderingen (ALV)Krijgen, tegen gereduceerde betaling, toegang tot symposia en congressen
Lid 6. Buitengewoon lidmaatschap
A. Voorwaarden voor het buitengewoon lidmaatschap Buitengewone leden worden op voordracht van het bestuur door de algemene ledenvergadering toegelaten. Het betreft bij deze categorie leden personen die geen arts zijn en die belangstelling hebben voor de natuurlijke en biologische geneeskunde in het algemeen of de ABNG-2000 in het bijzonder, dan wel dat zij zich daarvoor op bijzondere wijze verdienstelijk hebben gemaakt.Van buitengewone leden wordt verwacht dat zij het Beroepsprofiel ABNG-2000 onderschrijven.B. Verantwoordelijkheden en rechten van buitengewone ledenContributie Buitengewone leden betalen jaarlijks contributie.Het contributiebedrag voor het buitengewoon lidmaatschap wordt op voorstel van het bestuur in de ALV bepaald en bedraagt 200 euro in het verenigingsjaar 2003.Het is aan het bestuur ten alle tijde toegestaan de hoogte van het contributiebedrag te verminderen indien de persoonlijke omstandigheid van het betreffende lid daartoe aanleiding geeft. Zo zal bij het bereiken van de vijfenzestig jarige leeftijd aan het betreffende lid op diens verzoek een reductie van 50% op het contributiebedrag worden toegekend.Buitengewone leden krijgen alle verenigingsstukken toegezonden.Krijgen toegang tot de algemene ledenvergaderingen (ALV).Krijgen, tegen gereduceerde betaling, toegang tot symposia en congressen.
Lid 7. Beëindiging lidmaatschap A. Het lidmaatschap eindigt bij overlijdenna schriftelijke opzegging van het desbetreffende lidbij wanbetalingbij royement door het bestuur en / of de TuchtcommissieHet aspirant lidmaatschap vervalt na vier jaarHet register-lidmaatschap vervalt indien niet aan de driejaarlijkse herregistratie eisen wordt voldaan. B. ad b. Schriftelijke opzeggingBij schriftelijke opzegging dienen contributies en andere verplichtingen zijn voldaan tot en met het lopende kalenderjaar. C. ad c. WanbetalingNa door de penningmeester schriftelijk te zijn gemaand en indien de betaling achterwege is gebleven, eindigt het lidmaatschap een half jaar na aanmaning. De vereniging blijft gerechtigd alle wettelijke stappen te doen ter leniging van de desbetreffende schulden. De kosten daarvan zijn voor rekening van het betreffende lidWanneer het desbetreffende lid na beëindiging van het lidmaatschap door wanbetaling te kennen geeft weer lid te willen worden dienen ten eerst alle openstaande schulden te zijn voldaan en Dient daartoe een regeling te worden getroffen met de herregistratiecommissie opdat de vereist aantal nascholingsdagen en andere herregistratie-eisen voor het voorafgaande periode zijn voldaan. De registratiecommissie legt dienaangaande een voorstel voor aan het bestuur, dat hierin beslist. D. ad d. Royement Voorwaarden voor royement uit de ABNG-2000 Royement geschiedt door tuchtrechtelijke ontzetting uit de ABNG-2000Door de wet bepaald bij verlies van bevoegdheid van het artsendiploma of de BIG-registratieIndien niet aan de eisen voor herregistratie is voldaan Procedure royementHet bestuur geeft schriftelijk te kennen aan het betreffende lid dat hij/zij in aanmerking komt voor toepassing van royement zoals beschreven in artikel 7.D.a.Het betrokken lid heeft vier weken de tijd daarop schriftelijk verklaringen te geven Ter voorkoming van het royement onder punt 7.D is het bestuur gerechtigd het betreffende lid extra activiteit op te leggen. Bij onvoldoende verklaringen ter beoordeling van het bestuur, of indien het betrokken lid niet akkoord gaat met de opgelegde activiteiten, geeft het bestuur aan het desbetreffende lid schriftelijk te kennen wanneer het royement ingaatOnverminderd blijft van kracht het recht van beroep op de ALV zoals vermeld in artikel 4 lid 3 van de statuten ("het te royeren lid heeft het recht van beroep op de Algemene Ledenvergadering die in dat geval met eenvoudige meerderheid van stemmen beslist") Lid 8. Hertoetreding
Wanneer een lid geroyeerd is volgens artikel 7.D en te kennen geeft weer lid te willen worden, is het bestuur gerechtigd hem / haar, ter verkrijging van het lidmaatschap, extra activiteiten op te leggen.
ARTIKEL 3 ALGEMENE BEPALINGEN
Lid 1. Ledenvergadering Minstens tweemaal per jaar wordt een ALV gehouden, waarvan de jaarvergadering in het voorjaar zal plaatsvinden.
Lid 2. Bijzondere ledenvergadering Een bijzondere ALV bijeengeroepen volgens artikel 6.8 van de statuten geldt als ALV.
Lid 3. Aankondiging ledenvergadering Een ALV wordt schriftelijk twee weken van tevoren aangekondigd met bijvoeging van de agenda van de vergadering.
Lid 4. Rechtsgeldigheid Een ALV is rechtsgeldig wanneer van de gewone leden vijftig procent plus 1 persoon aanwezig is en de voorzitter de vergadering geopend heeft.
Lid 5. Quorum Wanneer niet het vereiste quorum aanwezig is kan de voorzitter ter plekke een buitengewone ledenvergadering uitschrijven. Aanwezig moeten zijn de voorzitter en minstens 5 gewone leden of eentiende der stemgerechtigde leden. Deze buitengewone ALV is gehouden aan de verzonden agenda van de ALV. De voorzitter mag aan deze buitengewone ALV geen agendapunten toevoegen.
ARTIKEL 4 HET BESTUUR
Lid 1. Aantal bestuursleden Het dagelijkse bestuur (DB) bestaat uit de voorzitter, penningmeester en secretaris. Het algemeen bestuur (AB) bestaat in ieder geval uit het DB en vertegenwoordigers uit de vakgroepen; eventueel worden ook vertegenwoordigers uit commissie in het bestuur uitgenodigd. Bestuursleden worden voor de duur van een jaar door de ALV benoemd. Lid 2. Verkiezing De verkiezing van het bestuur geschiedt jaarlijks door de ALV tijdens de jaarvergadering. De voorzitter wordt in de functie verkozen, de overige bestuursleden verdelen de overgebleven functies. Bestuursleden zijn onbeperkt herkiesbaar.
Lid 3. Veranderingen bestuur Veranderingen in het bestuur worden kenbaar gemaakt bij de aankondiging van de ALV. Tegenkandidaten kunnen worden ingediend bij het secretariaat voor de aanvang van de vergadering. Elke tegenkandidaat moet gesteund worden door 10 leden, aanwezig ter vergadering.
Lid 4. Aftreding bestuurslid Wanneer een bestuurslid in de loop van het jaar aftreedt, voorziet het bestuur in een tijdelijke benoeming. Bij de eerstvolgende ALV volgt de definitieve benoeming.
Lid 5. Aftreding voorzitter Bij tussentijds aftreden van de voorzitter wordt zijn functie tijdelijk waargenomen door een lid van het DB tot de eerstvolgende ALV. De ALV benoemt de nieuwe voorzitter volgens artikel 7, lid 2 en 3.
Lid 6. Aftreding volledig bestuur Wanneer het bestuur in haar totaliteit aftreedt, is het gehouden binnen 3 weken een buitengewone ALV uit te schrijven, welke gehouden moet worden binnen 3 weken na de datum van uitschrijven. Het doel van de buitengewone ALV moet zijn de verkiezing van een nieuw bestuur volgens artikel 7, lid 1, 2 en 3. Tot de buitengewone ALV neemt het demissionaire bestuur de lopende zaken waar. Decharge van het demissionaire bestuur kan verleend worden door de buitengewone ALV.
Lid 7. Toegevoegde leden Het bestuur kent toegevoegde, adviserende leden. Toegevoegde leden zijn de voorzitters van de verschillende commissies. Adviserende leden zijn leden door het bestuur benoemd omwille van hun bekwaamheden. Toegevoegde leden hebben een adviserende steun voor zover het hun commissies aangaat. Adviserende leden beraadslagen en beslissen mede, voor zover het bestuur het goeddunkt.
Lid 8. Naar buiten treden Het bestuur treedt naar buiten als eenheid op.Lid 9. Jaarverslag en begrotingHet bestuur geeft op de ALV rekenschap van haar beleid. Zij verstrekt een jaarverslag en dient een begroting in.
Lid 10. SecretariaatHet bestuur wordt terzijde gestaan door een secretariaat. Het budget en de begroting hiervan worden op de ALV vastgesteld.
Lid 11. DechargeDe ALV kan het bestuur van haar taak dechargeren.
Lid 12. Contributie bestuursledenBestuursleden betalen gedurende de periode van hun bestuursfunctie geen contributie . Lid 13. Vergoeding bestuursleden Bestuursleden hebben recht op vergoeding door de vereniging van de, door hen ten behoeve van de vereniging gemaakte kosten, met uitsluiting van de loonkosten.
|
INHOUDSOPGAVE EINDTERMEN ABNG-2000
|
INHOUDSOPGAVE EINDTERMEN ABNG-2000
De eindtermen: Inleiding Overzicht van de onderdelen van de natuurgeneeskunde Richtlijnen voor het beschrijven van een onderdeel/methode voor de eindtermen De eindtermen in hoofdstukken: geschiedenis, filosofie en ethiek van de natuurgeneeskunde basis – bioregulatiesysteem ( BBRS ) : de theorie van Pischinger neuraaltherapie: vanuit het BBRS begrip van stoorvelden, haardanamnese, ontstoring voeding: belangrijke stromingen op het gebied van de natuurlijke voeding klinische symptomen volgens Moerman diagnostiek en therapie volgens F.X. Mayr microbiologische therapie microbiologisch onderzoek. Darmfloradiagnostiek colon – hydrotherapie hydro – balneotherapie orthomoleculaire geneeskunde niet – toxische tumortherapie adem- en ontspanningstherapie fytotherapie onderzoeksmethodologie van basisarts naar zelfstandig arts DE EINDTERMEN : INLEIDING
Verantwoording
Begin 2000 werd met de voorbereidingen aangevangen voor het beschrijven van de eindtermen. Nadat de aanzet was gemaakt door F. van Loon, werd de fakkel overgenomen door A.M. Kruyswijk – v.d. Heijden, die vervolgens B. Thonon heeft gevraagd de klus samen te klaren. In nauwe samenwerking met de onderwijscommissie werd een raamwerk ontworpen, waarbinnen de eindtermen een samenhangend geheel vormden, en waarop een onderwijsprogramma ontwikkeld zou kunnen worden. In het najaar van 2000 werd dit raamwerk door de ALV geaccordeerd, waarna de feitelijke beschrijving kon aanvangen. In de ALV van februari 2003 werden de feitelijke beschrijvingen van onderdelen van de eindtermen geaccordeerd. Het geheel van teksten werd met hulp van onze bestuursmedewerker W. Verest , van een passende lay out voorzien.
De betekenis van een beschrijving van eindtermen
Het beschrijven van de eindtermen behelst het beschrijven van de kwalificaties die de arts ABNG 2000 na de opleiding dient te bezitten op het gebied van kennis en vaardigheden betreffende de biologische en natuurlijke geneeswijzen. Het boeiende is dat deze beschrijving van kwalificaties geldt voor de ideale situatie, en hiermede dus een doel geworden is waarnaar naar beste kunnen gestreefd moet worden. Tegelijkertijd ontstaat de gelegenheid om vanuit de dynamische ontwikkeling van ons vakgebied, deze kwalificaties aan nieuwe inzichten aan te passen.
De feitelijke beschrijving
Het Raamplan 1994 vormt het uitgangspunt voor het beschrijven van de eindtermen ABNG 2000. Zowel voor het opstellen van de richtlijnen volgens welke de beschrijving dient te geschieden, als voor de verificatie van de volledigheid van de onderdelen. De verschillende onderdelen zijn zowel in een overzicht, als in hoofdstukken ondergebracht. Door een aantal leden van de ABNG 2000 zijn, volgens de ontworpen richtlijnen, teksten geschreven betreffende onderdelen van de eindtermen. Vervolgens zijn door de commissie eindtermen de teksten zorgvuldig bekeken, zonodig geredigeerd en tot één geheel gesmeed. Het resultaat is overzichtelijk en toegankelijk. Daarnaast garandeert het losbladige systeem de mogelijkheid om teksten aan te passen aan nieuw- verworven inzichten, en nieuwe methoden in te voegen.
OVERZICHT VAN DE ONDERDELEN VAN DE EINDTERMEN
GESCHIEDENIS, FILOSOFIE EN ETHIEK VAN DE NATUURGENEESKUNDE De arts ABNG 2000 is in staat om de volgende onderdelen in grotelijnen weer te geven en het belang daarvan voor de beroepsuitoefening aan te geven. - de geschiedenis van de natuurgeneeskunde. - de denkmodellen binnen de natuurgeneeskunde: het zelfgenezend vermogen van het menselijk systeem ( lichaam en geest ). de onderlinge (energetische ) connecties binnen het systeem de theorie van de verslakking ( volgens Reckeweg en Pischinger ) - de daaruit voortvloeiende preventieve maatregelen tot behoud van het natuurlijk evenwicht en tot bevordering van het zelfgenezend vermogen. - de daaruit voortvloeiende mechanismen die de gezondheid verstoren en tot ziekte leiden. - het plaatsen van verstoringen en symptomen in de denkmodellen van de natuurgeneeskunde. - de daaruit voortvloeiende uitgangspunten van natuurgeneeskundig handelen : het herwinnen van het natuurlijk evenwicht met natuurlijke methoden. - de genezingsmechanismen van Reckeweg en Hering, met de daarbij behorende verschijnselen, en het onderscheid tussen ziektecrisis en genezingscrisis. - voeding: bouwstoffen, deficiënties,intoxicaties. - de belangrijke hedendaagse en historische stromingen op het gebied van de natuurlijke voeding.
ANAMNESE – TECHNIEKEN De arts ABNG 2000 heeft zich bekwaamd in de volgende anamnese – technieken: - algemene anamnese: vanzelfsprekend vanuit de universitaire artsenopleiding ( hulpvraag, omschrijving van de klachten, tractusanamnese, psycho-sociale anamnese, familieanamnese ). - specifieke natuurgeneeskundige anamnese: tegen de achtergrond van de denkmodellen in de natuur- geneeskunde : leefwijze, voeding, vertering, uitscheiding, lichaamsbeweging, ademhaling.intoxicaties, zware metalen.haard- anamnese: chronische infecties, littekens, vaccinaties, gebit.algemeen welbevinden : gezondheidstoestand op lichamelijk, emotioneel, geestelijk niveau.
DIAGNOSTISCHE TECHNIEKEN De arts ABNG 2000 heeft zich bekwaamd in de toepassing van de volgende diagnostische technieken:algemeen lichamelijk onderzoek, klachtgericht lichamelijk onderzoek, vanzelfsprekend vanuit de universitaire opleiding. laboratoriumonderzoek, vanzelfsprekend vanuit de universitaire opleiding.specifiek lichamelijk onderzoek: volgens Mayr, volgens Moerman.microbiologisch onderzoek van de faeces.het aanvoelen, vanuit intuïtie en eigen ervaring, van de gezondheidstoestand en herstelmogelijkhedenvan de patiënt.
4. DE NATUURGENEESKUNDIGE DIAGNOSE
De arts ABNG 2000 is in staat de klachten en de symptomen van de patiënt, alsmede de resultaten van het lichamelijk onderzoek, het gezondheidsonderzoek en het eventueel aanvullend onderzoek, te interpreteren tegen de achtergrond van de denkmodellen in de natuurgeneeskunde. De arts ABNG 2000 is in staat de natuurgeneeskundige diagnose te vertalen naar het regulier medisch denken en vice versa.
5. THERAPEUTISCHE METHODEN
De arts ABNG 2000 is in staat de patiënt uitleg te geven over de achtergronden van c.q. de keuze voor de volgende therapeutische methoden. Tevens is de arts ABNG 2000 in staat de patiënt met deze methode te begeleiden of te verwijzen: - het inzicht bieden aan de patiënt in de mogelijkheden van het zelfgenezend vermogen van het menselijk systeem, en van daar uit uitzicht op verbetering van het natuurlijk evenwicht. - algemene gezondheidsbevorderende leefregels en voedingsregels - individuele leefregels en voedingsvoorschriften en het omgaan hiermee. - natuurgeneeskundige maatregelen ter ontgifting en reiniging. - vastenkuren en de toepassing van klysma’s - colon – hydrotherapie - uitscheidingsbevorderende methoden: hydro – balneotherapie, pakkingen en wikkels. - buikbehandeling volgens Mayr. - ademhalingstherapie. - microbiologische therapie. - fytotherapie. - voedingssupplementen tot herstel van deficiënties. - niet–toxische tumortherapie. - neuraaltherapie. ONDERZOEKSMETHODOLOGIE De arts ABNG 2000 heeft zich bekwaamd in het opzoeken van en toegang verkrijgen tot data base op medisch en natuurgeneeskundig gebied. De arts ABNG 2000 is in staat wetenschappelijke publicaties op het gebied van de natuurgeneeskunde te beoordelen op hun wetenschappelijke waarde. Tevens staat de arts ABNG 2000 open voor moderne wetenschappelijke onderzoeksmethoden m.b.t. de werking en de effectiviteit van de natuurgeneeskunde.
7. VAN BASISARTS TOT ZELFSTANDIG ARTS
Toelichting op de aanvullingen, vanuit het Raamplan 1994, met betrekking tot de volgende onderdelen: medische en wetenschappelijke aspecten, persoonlijke aspecten, en aspecten in relatie tot maatschappij en gezondheidszorgsysteem. Richtlijnen voor het beschrijven van een onderdeel / methode voor de eindtermen
naamkorte uitleg / verduidelijking van de naam / het begriphistorie / achtergronden van het ontstaan van de methodefeitelijke beschrijving van de methodetoepassingsgebied / meest voorkomende indicaties. Mogelijke contra-indicatiesopsomming van die onderdelen van de methode die beheerst dienen te worden door artsen ABNG 2000het aangeven per onderdeel van de opsomming onder punt 6. van het gewenste niveau van kennisen vaardigheid voor artsen ABNG 2000. Indeling van de kennisniveau’s: Niveau A : theoretisch en / of weten te plaatsen Niveau B : diepgaand theoretisch
Indeling vaardigheidseisen: Niveau 1 : theorie en gezien hebben in een demonstratie Niveau 2 : is in staat de behandeling uit te voeren Niveau 3 : kan de behandeling routinematig uitvoeren
DE EINDTERMEN IN HOOFDSTUKKEN
1.Geschiedenis, filosofie en ethiek van de natuurgeneeskunde. 2.Basis-bioregulatiesysteem ( BBRS ):de theorie van Pischinger/Neuraaltherapie: vanuit het BBRS begrip van stoorvelden, haardanamnese, ontstoring. 3.Voeding: belangrijke hedendaagse stromingen op het gebied van de natuurlijke voeding. 4.Klinische symptomen volgens Moerman. 5.Diagnostiek en therapie volgens F.X. Mayr , met o.a. de volgende onderdelen: theorie van de verslakking/natuurgeneeskundige anamnese/lichamelijk onderzoek volgens Mayr/algemene gezondheidsbevorderende leefregels en voedingsregels/individuele leefregels en voedingsvoorschriften/natuurgeneeskundige maatregelen ter ontgifting en reiniging/vastenkuren en de toepassing van klysma’s/buikbehandeling volgens Mayr 6.Microbiologische therapie/Microbiologisch onderzoek. 7.Colon-hydrotherapie. 8.Hydro-balneotherapie. 9.Orthomoleculaire geneeskunde. 10.Niet-toxische tumortherapie. 11.Adem- en ontspanningstherapie. 12.Fytotherapie. 13.Onderzoeksmethodologie. 14.Van basisarts naar zelfstandig arts.
1. Geschiedenis, filosofie en ethiek van de natuurgeneeskunde.
In de opleiding tot natuurarts wordt groot belang gehecht aan het feit dat de ABNG-2000 arts zijn/haar positie in de huidige samenleving in het juiste historische perspectief beseft. Daarbij staan de volgende vragen centraal. - Wat zijn de sterke kanten van de natuurgeneeskundige benaderingswijze en - Wat zijn de geneeskundige handelingen die hij/zij aan andere medici overlaat. - Waarop is de ABNG-2000 arts gericht in zijn patiënt benadering. Om deze vragen te beantwoorden wordt in de module geschiedenis, filosofie en ethiek van de natuurgeneeskunde de volgende onderwerpen uitgewerkt:een overzicht wordt gegeven van de historische ontwikkeling van de geneeskunde vanaf de oudste tijd, zoals die is terug te voeren op de oude geneeskunde van India en hoe in de loop der tijd de kennis en ervaring via Irak, Griekenland, Egypte en de Arabische wereld naar West-Europa is doorgestroomd. Vanuit Italië is vanaf de renaissance de moderne geneeskunde ontstaan, die zich in vijf eeuwen heeft ontwikkeld tot de huidige, moderne vorm van beheersingsgeneeskunde zoals er nu op het niveau van genetische beïnvloeding wordt gewerkt; terwijl tegelijkertijd de praktijk van de natuurgeneeskunde parallel een eigen ontwikkeling heeft doorgemaakt tot aan de status van de moderne ABNG-2000 arts.Aan de hand van het beroepsprofiel wordt de ABNG-definitie van gezondheid op praktische consequenties uitgewerkt, evenals de specifieke positie in de gezondheidszorg van de ABNG-2000 arts.Aan de hand van het schema vijf universele behandelniveaus worden uitgangspunten en werkwijze van de natuurarts eigen gemaakt. Ondubbelzinnig ligt aan het werk van de ABNG-2000 arts het streven ten grondslag om de patiënt te begeleiden naar de meest haalbare vorm van gezond, zelfstandig functioneren, dat wil zeggen dat de patiënt de verantwoordelijkheid leert te dragen voor zijn/haar eigen, constitutiegebonden evenwicht. Enige aandacht wordt besteed aan diverse indelingen van constitutietypes.Het huidige natuurgeneeskundig denken omvat de volgende denkmodellen:Het Basis Bio Regulatie Systeem volgens Pisschinger. In het losmazig bindweefsel (het BBRS) bevindt zich het grote communicatienetwerk van het lichaam, waarin de uitwisseling plaatsvindt van vasculaire, neurale en hormonale informatie. Door ophoping van afvalstoffen in dit losmazig bindweefsel wordt deze uitwisseling van communicatie verstoord. Het BBRS wordt als een aparte module behandeld.De homotoxineleer volgens Reckeweg. Hierin worden de fasen beschreven waarin intoxicatie van het BBRS verloopt, met de gevolgen voor andere weefsels en organen, resulterend in klachten, symptomen en ziekten.Vanuit het model van Pisschinger kunnen de neurovegetatieve, emotionele, endocriene en immunologische implicaties van het natuurgeneeskundig handelen aannemelijk worden gemaaktDe weg van genezing loopt volgens natuurlijke wetmatigheden, namelijk vanuit het opruimen van afvalstoffen uit de weefsels, waardoor de oorspronkelijke functie zich zoveel mogelijk kan herstellen (tenzij er irreversibele schade is) tot optimale genezing. Het genezingsproces verloopt in omgekeerde volgorde van de fasen van Reckeweg. Het is dus van belang onderscheid te maken tussen genezingscrises en ziektecrises.Er wordt apart aandacht gegeven aan de attitude, de innerlijke houding van de arts in zijn benadering van de patiënt. Net zoals een aantal decennia geleden het nog als voorrecht gold als arts een roeping te hebben, zo wordt er in de opleiding aandacht gegeven aan de ontwikkeling van de innerlijke motivatie en werkethiek van de natuurarts. Uitgangspunt en oriëntatie zijn steeds weer de samenhang tussen alle aspecten van het leven en de ervaringen en klachten van de patiënt.
2.Basis – bioregulatiesysteem ( BBRS ) : de theorie van Pischinger. NAAM: Basis Bioregulatiesysteem (BBRS)DEFINITIE/OMSCHRIJVING: Het BBRS gaat ervan uit dat de omgeving van cellen bepalend is voor hun functioneren. Deze omgeving kan bestaan uit andere cellen, ‘buitenmilieu’ (bijv. het darmlumen) of de ‘grondsubstantie’: het alom in het lichaam aanwezige losmazige bindweefsel dat vooral bestaat uit: (extracellulaire) vloeistof die is samengesteld uit water en polymere suiker-eiwitverbindingen met daarin vele soorten cellen: o.a.grote en kleine fibroblasten en immuuncompetente cellen en met tevens het eindstroombed van capillairen en lymfevaatjes en de zenuwuiteinden van het vegetatieve systeem.
HISTORIE Hoogst belangrijk onderzoek op dit gebied is afkomstig van de histoloog Pischinger, die werkte in het tweede en derde kwartaal van de vorige eeuw. Hij heeft het begrip “Grundregulation’ uitgewerkt en bekendheid gegeven. Andere bekende onderzoekers op dit terrein zijn o.a.Eppinger, Perger, Bergsmann. In de jaren ’70 en ’80 kon Heine m.b.v. o.a. elektronenmikroskopisch onderzoek de kennis omtrent de grondsubstantie fors uitbreiden. Een Utrechtse werkgroep o.l.v van Wijk heeft een essentiele bijdrage geleverd aan het uitwerken van het begrip BBRS zoals we dat nu gebruiken.
WAT ZIJN DE CONSEQUENTIES VAN DE KENNIS VAN DE GRONDSUBSTANTIE EN HET BBRS? Geen celsoort, ook niet de orgaancellen, heeft direkt kontakt met bloedvaten of zenuwuiteinden, zodat de voorziening met voedingsstoffen en zuurstof, de afvoer van afvalstoffen en ook de beinvloeding vanuit het zenuwstelsel of vanuit klieren m.b.v regelstoffen moet gaan via de grondsubstantie.
De grondsubstantie heeft door haar specifieke samenstelling en eigenschappen een regulerende functie en is deels onafhankelijk van het CZ. Via de grondsubstantie is er contact mogelijk tussen alle delen van het organisme en kan het lichaam zich als een geheel manifesteren.
Kennis van het BBRS is om vele redenen van het allergrootste belang: hiermee kan het ontstaan van vele chronische ziektes en diverse niet-chronische, moeilijk te duiden ziektebeelden worden verklaard: bijv. rheumatische aandoeningen, chronische ontstekingen, kanker, slechte afweer, allergien, klachten na blootstelling aan toxische stoffen enz.het (doen) herstellen van een verstoord BBRS is de basis voor behandeling van deze ziektes.het levert een verklaring voor het effect van diverse vormen van behandeling die nu nog gerekend worden tot de alternatieve of complementaire geneeskunde, zoals neuraaltherapie, acupunctuur, anti-homotoxische behandeling volgens Reckeweg en is een mede-verklaring voor het effect van vastentherapien en diverse kuurvormen.vele begrippen die in de loop der jaren vooral in het Duitstalige gebied zijn ontstaan binnen de ‘Erfahrungsheilkunde’ en o.m. de Neuraaltherapie kunnen m.b.v. deze kennis worden verklaard: bijv. ‘Umstimmung’, ‘Regulationsstarre’, stoorveld, ‘Herd’.KENNIS VAN HET BBRS EN ZIJN ACHTERGRONDEN ZIJN ESSENTIEEL VOOR DE ABNG-ARTS: KENNISNIVEAU CATEGORIE B Deze ET beschrijving heeft alleen tot doel zeer globaal aan te duiden wat het BBRS is en waarom kennis ervan belangrijk is. Verdere studie is noodzakelijk, waartoe de bijgeleverde literatuur (met daarin weer literatuurlijsten) een startpunt kan vormen.
2a. Neuraaltherapie: vanuit het BBRS begrip van stoorvelden, haardanamnese, ontstoring. NAAM : NEURAALTHERAPIE 2. DEFINITIE / OMSCHRIJVING / KORTE UITLEG :
Neuraaltherapie is een therapie waarbij op speciale plaatsen kleine hoeveelheden procaïne of een aanverwante stof worden geïnjecteerd. Het effekt van de procaïne bestaat, volgens nieuwe inzichten, uit herstel van een verstoorde bio – elektriciteit van weefsels.
HISTORIE / ACHTERGRONDEN VAN HET ONTSTAAN : Reeds vóór 1930 werd er gepubliceerd over succesvolle toepassingen van procaïne. Het zijn de gebroeders Hüneke geweest die in de vijftiger jaren voor de eerste hypothese over de werking van de neuraaltherapie zorgden, en een doorbraak bij de toepassing van deze methode bewerkstelligden. De Nederlandse arts Harry Lamers heeft de neuraaltherapie vanaf de zestiger jaren in Nederland bevorderd.
FEITELIJKE BESCHRIJVING VAN DE METHODE Een aantal bergippen zijn van belang bij de toepassing van de neuraaltherapie: segmenttherapie, stoorvelden, haarden, secondenfenomeen, regulatiestarheid, umstimmung. Het moderne model van het BBRS biedt een onderbouwing van de werking van de neuraaltherapie, en van bovengenoemde begrippen. De anamnese kan aanwijzingen geven over het bestaan van eventuele stoorvelden. Het “specifieke” lichamelijke onderzoek geeft via veranderingen in kleur, struktuur en hardheid van huid of littekens, informatie over mogelijke oorzaken en / of samenhangen. De procaïne kan in verschillende weefsels geïnjecteerd worden: intracutaan ( de kwaddel ), subcutaan, intraveneus, rond spieraanhechtingen, in littekens, in uitgesproken pijnplaatsen. ( kleine neuraaltherapie ). Daarnaast is tevens injectie mogelijk in zenuwknopen en organen. ( grote neuraaltherapie).
TOEPASSING / MEEST VOORKOMENDE ( CONTRA ) INDICATIES De meest voorkomende indicaties worden gevormd door pijnklachten. Daarnaast bewegingsbeperkingen, functionele stoornissen en chronische ziektebeelden. Contra-indicatie is overgevoeligheid voor een van de te gebruiken neuraaltherapeutica. Er hoeft echter geen kruisovergevoeligheid te bestaan. Bij psychiatrische aandoeningen, erfelijke aandoeningen, zware reguliere medicatie, deficiëntieziekten, ligt een behandeling met neuraaltherapie niet voor de hand.
KENNIS – EN VAARDIGHEIDSNIVEAU VOOR ARTSEN ABNG 2000 Kennisniveau : B Vaardigheidsniveau: voor kwaddelen : niveau 2 voor de overige onderdelen: niveau 1
Literatuur: Dopsch, P. Lehrbuch der Neuraaltherapie nach Huneke. Haug Verlag. De volgende nummers van “Erfahrungsheilkunde” bevatten een of meer artikelen over dit onderwerp: 1999, nr.3 ; 1996, nr. 5; 1991, nr.3 ; 1990, nr. 9; 1989, nr. 4.
3. Voeding: belangrijke hedendaagse stromingen op het gebied van de natuurlijke voeding.
VOEDING
Het hoofdstuk voeding omvat verschillende hedendaagse en historische stromingen op het gebied van de natuurlijke voeding. Per onderdeel worden de achtergronden, uitgangspunten, toepassing, indicaties en contra-indicaties besproken, alsmede het gewenste kennis- en vaardigheidsniveau. Bircher Benner Als arts de grondlegger van de rauwkostvoeding en bekend vanwege zijn muesli. Bircher Benner leefde van 1867 tot 1939; experimenteerde met zichzelf; vanaf 1895 paste hij rauwkost en vasten toe in zijn praktijk, later in zijn kliniek. Vasten – 100% rauwkost en dan afbouwen tot 50% rauwkost – lacto-vegetarisch – overschot aan basevormende voedingsmiddelen. Toepassing: m.n. maagdarmaandoeningen, reuma op basis van een zuuroverschot. Contra-indicaties: o.a. te zwak maagdarmkanaal; te kouwelijke cliënt Deskundig toepassen van rauwkostvoedingen zonder dat er tekorten aan essentiële voedingsstoffen ontstaan.Gewenste niveau: 2B
Kristine NolfiDeense arts die leefde van 1881-1957; paste de rauwkostvoeding nog extremer toe vooral bij kankerpatiënten. Zij heeft veel met zichzelf geëxperimenteerd. Zie verder bij Bircher Benner Gewenste niveau:1A
Johanna Budwig Apothekeres, heilpraktiker, geboren in 1900; bekend om het zogenaamde Budwigpapje: kwark met lijnzaadolie. Pesca-vegetarische voeding. Toepassing: heel erg breed m.n. om tekorten aan omega-3 vetzuren aan te vullen of te voorkomen en de celademhaling te bevorderen. Contra-indicaties: overgevoeligheid voor ingrediënten van het Budwigpapje. Deskundig toepassen van het Budwigpapje met zoveel mogelijk variatie. Gewenste niveau: 3B
Joseph Evers Duitse arts die leefde van 1894-1975; bekend geworden om zijn rauwkostvoeding bij de behandeling van MS. Oorspronkelijke dieet is aangepast aan de nieuwste inzichten en wordt toegepast in de Everskliniek in Duitsland. Toepassing: vooral MS Contra-indicaties: zie Bircher Benner De belangrijkste kenmerken van het huidige Eversdieet weten te plaatsen Gewenste niveau: 1A
Theorie prof. Wendt (Schnitzer en Kollath) Professor Wendt heeft aangetoond dat veel mensen een overschot aan eiwitten stapelen in hun lichaam met veel welvaartsziekten als gevolg. Zijn ontdekkingen worden/werden door Schnitzer (tandarts) en Kollath in de praktijk gebracht. Toepassing: o.a. welvaartsziekten bij volwassen mensen met een hoge eiwitconsumptie in het verleden Contra-indicaties: mensen met een bestaand eiwittekort, kinderen, zwangeren en zogenden. Theorie kennen en verantwoorde eiwitarme voedingsadviezen kunnen geven. Gewenste niveau: 2B
Zuur-base-evenwichtHet zuur-base-evenwicht is het belangrijkste evenwicht dat met behulp van voedingsaanpassing te beïnvloeden is. Volgens de natuurgeneeskunde is een teveel aan ‘zuur’ mede veroorzaker van veel aandoeningen. Toepassing: ziekten die mede ontstaan door een zuuroverschot. Contra-indicaties: geen Het zuur-basedieet in de praktijk verantwoord kunnen toepassen. Gewenste niveau: 3B Algemene stromingen in NederlandDe stromingen worden kort besproken met de nadruk op mogelijke voedingstekorten die kunnen optreden. Toepassingsgebied: heel breed Contra-indicaties: als het niet bij het individu past Vegetarisme en Mediterrane voeding in de praktijk kunnen toepassen zonder dat er voedingstekorten optreden. Gewenste niveau:Vegetarisme/veganisme: 3BMacrobiotiek 1.AAntroposofie 1.AAyurveda 1.AChinese voedingsleer 1AMediterrane voeding 2.B8. De combinatie-diëten: Hay en Shelton, Leven lang fit, MontignacVan oorsprong vooral voorgeschreven bij maagdarmaandoeningen, nu bekend als vermageringsdieet. Toepassing: zeer breed, maar strenge scheiding is altijd tijdelijk. Contra-indicaties: kinderen, diabetes mellitus (alleen onder goede begeleiding) De zin en onzin van combinatie-diëten kennen en verantwoord kunnen toepassen. Gewenste niveau: 2B
9. Actuele stromingen
9a. Bloedgroepdieet Een dieet in ontwikkeling waarvoor Peter D’Adamo de basis heeft gelegd. De bloedgroep bepaald welke voedingsmiddelen iemand beter niet of juist wel kan gebruiken. Toepassing: zeer breed Contra-indicaties: niet bekend Cliënten, die het Bloedgroepdieet willen volgen kunnen adviseren Gewenste niveau: 1A
9b. Omega 3 plan: de gunstige vetzuren en de goede verhoudingen De balans tussen omega-3 en omega-6 vetzuren is van essentieel belang voor de menselijke gezondheid. Door een disbalans ontstaan mede veel aandoeningen. Toepassing: bij iedereen belangrijk Contra-indicaties: geen Een verstoorde vetzuurbalans kunnen herstellen met verantwoorde voedingsadviezen. Gewenste niveau: 3B
10. Diëten bij kanker In het hoofdstuk betreffende niet – toxische tumortherapie wordt dieper ingegaan op de voedingsrichtlijnen bij kanker. Voor artsen ABNG 2000 die deze specialisatie beoefenen is het gewenste niveau voor onderstaande onderdelen: 3 B.
10a. Houtsmuller en Moerman Het dieet dat dokter Houtsmuller heeft ontwikkeld is een ‘combinatie’ van de diëten van dokter Moerman, Gerson en Budwig met de huidige voedingsinzichten met betrekking tot kanker. De voedingsadviezen zijn overigens maar één van de pijlers van de therapie volgens Houtsmuller. Toepassing: vooral kankerpatiënten Contra-indicatie: niet gemotiveerde patiënt Verantwoorde voedingsadviezen kunnen geven volgens de theorie van dokter Houtsmuller en Moerman. Gewenste niveau: 2B 10b. Gerson en Ann Wigmore Max Gerson ontwikkelde een zeer intensieve reinigingskuur voor kankerpatiënten en Ann Wigmore is vooral bekend van haar onderzoek naar de positieve eigenschappen van tarwegras. Toepassing: zeer gemotiveerde patiënten met kanker, die voldoende steun uit de sociale omgeving krijgen Contra-indicaties: zie toepassing, dus niet gemotiveerd etc. Kennis hebben van de achtergronden van beide voedingssystemen. Gewenste niveau: 1A
BeginsituatieDe kandidaat heeft als voorbereiding op het contactuur bestudeerd een reader van ongeveer 40 pagina's over onderwerp 1 t/m 6, ongeveer 25 pagina's over onderwerpen 7, ongeveer 25 pagina's over onderwerpen 8, ongeveer 70 pagina's over onderwerpen 9 en 10. Zo mogelijk heeft de kandidaat zich extra verdiept in bepaalde onderwerpen met behulp van de literatuurlijst. Studie Belasting Uren: 28 Contacturen: 10 (keer 60 minuten). Hierbij een rondleiding van 1 uur Tijdens de contacturen worden vragen gesteld, ervaringen uitgewisseld en de aandachtspunten besproken bij de diverse voedingssystemen, zo mogelijk aan de hand van praktijkvoorbeelden. Met behulp van casuïstiek wordt geoefend in praktische adviezen met betrekking tot de voedingssystemen.
Verplichte literatuurlijstDe natuurlijke gezondheidswijzer. H. de Lint; uitgeverij De Kern Baarn; ISBN: 9032508237Readers over bovenstaande onderwerpen via docent; prijs nog niet bekend Locatieadres (max 25 personen): Natudis BV Daltonstraat 38 3846 BX Harderwijk, tel: 0341 464211. De cursus wordt gegeven door H. de Lint, diëtiste. Koffie, thee, kruidenthee gratis; biologische lunch tegen kostprijs (wel van tevoren opgeven of hier gebruik van wordt gemaakt).
4. klinische symptomen volgens Moerman.
NAAM: KLINISCHE SYMPTOMEN VOLGENS MOERMAN.DEFINITIE/OMSCHRIJVING/KORTE UITLEG: De moermantherapie baseert zich bij het voorschrijven van de noodzakelijke acht stoffen op de aan- of afwezigheid van de klinische symptomen. Het tekort van de acht stoffen uit zich in verschijnselen die aan het lichaam waarneembaar of voelbaar zijn.
HISTORIE / ACHTERGRONDEN VAN HET ONTSTAAN VAN DE METHODE: Het navolgende is een uitwerking van een fysische diagnostiek die door alle artsen beheerst dient te worden. Dus niet alleen door natuurartsen maar ook door alle artsen die pretenderen fysische diagnostiek te bedrijven. De methode is ontwikkeld door de arts Cornelis Moerman en verder uitgewerkt door de artsen A. Ronhaar en H.A.M. Schram. Het is een fysische diagnostiek die wordt toegepast bij de ziekte kanker maar ook heel goed toegepast kan worden bij vele andere aandoeningen die te maken hebben met een tekort aan vitaminen of mineralen. In het bijzonder zijn te noemen de desadaptatieziekten zoals het oververmoeidheidssyndroom, het reactief hypoglycaemiesyndroom en het postviraalsyndroom.
FEITELIJKE BESCHRIJVING VAN DE METHODE: Te beginnen bij de voeten worden successievelijk de verschijnselen besproken die we kunnen waarnemen.
De voet De voetzool heeft vele klinische symptomen. Een droge voetzool met als uiterste graad een dikke korst aan de voetrand van de hiel wijst op een tekort aan vitamine A. Wanneer de voetzool glad en ook de hiel glad en soepel is dan heeft de patiënt geen vitamine A tekort en is het geven van vitamine A gecontraïndiceerd. Het mediale gedeelte van de voetzool is een belangrijk indicatie gebied voor vitamine B5 tekort ofwel pantotheenzuur. Bij tekort aan vitamine B5 is het mediale gedeelte van de voetzool rimpelig en/of streepvormig en soms heel typisch ruitvormig. Een schimmel/mycotisch-achtige verandering van de voetrand duidt op een algemeen mineralentekort. Een typische kalknagel zonder mycotische verschijnselen wijst op een tekort van pyridoxine ofwel vitamine B6. Bij vitamine D is de voet opvallend koud en soms klammig met rode verkleuring. Tussen de enkel en de voetrand zijn behalve varices ook vaak vele spidereuze naevi ofwel telangiectasia. Dit wijst op een tekort aan magnesium. De spidernaevi zijn niet alleen te zien aan de voetrand maar ook vaak aan de benen. Soms heel typisch langs de diafragmakoepel op het ventrale deel van het been en voornamelijk het onderbeen. Het belangrijkste symptoom hier is het tibiaal oedeem. Dus niet het enkel oedeem of het oedeem op het dorsum van de voet, maar het oedeem op ca 1/3 van distaal van het onderbeen. Dit is typisch voor een tekort aan vit. E en C. Ook is te zien aan het onderbeen ‘t aanwezig zijn van lymfoedeem hetwelk zichtbaar is distaal van de kuitspier. Dit is een aanwijzing voor seleniumtekort. Een kenmerkend verschijnsel bij een tekort aan riboflavine en citroenzuur is de drukgevoeligheid aan de binnenzijde van de onderbenen.
De hand. De nagel vertoont vele klinische verschijnselen. Het meest kenmerkende zijn de zgn. “Manchester” nagels. Dit zijn in de lengterichting van de nagel het aanwezig zijn van strepen welke goed zichtbaar en goed voelbaar zijn. Deze “Manchester” wijzen op een tekort aan vit. B2 ofwel riboflavine. In de puberteit bij jongens en meisjes zien we het verschijnsel van de “Schramse” lijnen. Dit is geen rechte streepvorming maar een waaierachtige. Ze is niet voelbaar maar wel zichtbaar aan de nagel van de puber wanneer we de nagel en beetje draaien. Dit verschijnsel is aanwezig vanaf het begin van de puberteit en het verdwijnt op het eind van de puberteit. Wanneer de nagelwal duidelijk rood en verheven is wijst dit op een tekort aan vit. B5 (pantotheenzuur). De huidplooi van de handrug die rechtop blijft staan zonder uitdroging is een verschijnsel van vit. A tekort. Een typisch verschijnsel wijzend op een zinktekort is het verschijnen van een witte stip of streep in de nagel. Dit zinktekort-teken, zeker wanneer het geïsoleerd voorkomt is een verschijnsel gecorreleerd met een toxificatie. Een bleke tot witte nagel wijst op een ijzertekort en een rode nagel wijst op een jodiumtekort.
De tong en zijn omgeving. Rhagaden rondom de mondhoeken en geschubde kringen om de neusvieugels wijzen op een tekort van riboflavine=vit. B2. Wanneer de kleur van de tong zo rood is als paardenvlees wijst dit op een tekort van zowel vit. B2 (riboflavino) als vit. B3(ac.nicotinici of nicotinamide; in het Engels niacine of niacinamide). Ook kan een vit. B3 tekort zichtbaar zijn bij een tong met een bruinig tot zelfs zwart beslag. Dit is een eenzijdig tekort aan vit. B3. Dit is de zgn. “Pellagra”tong. Mensen met een iets te diepe groeve en naast de groeve aan beide zijden een roodachtige of vaal rode verkleuring hebben de neiging makkelijk een tekort aan vit. B3 of de gehele B-groep te krijgen. Wanneer de tong een atrofische rand heeft of vol zit met atrofische vlekken (de Lingua geografica) dan is er een tekort van de hele vit. B groep. Een knalwitte tongaanslag, vaak tezamen met een foetor ex ore, is een fors pyridoxine of vit. B6 tekort. Oedeem aan de tong kunnen we zien wanneer de tanden een afdruk geven in de tong. Dit verschijnsel is kenmerkend voor een tekort aan vit. C en vit E. Een tekort aan vit. B2 of riboflavine is ook zichtbaar aan de ogen. We zien dan de zgn. “bloodshot eyes”. Dit zijn kleine vaatjes die in het oog verschijnen o.a bij een kater na teveel alcohol en/of vlees.
TOEPASSINGSGEBIED / MEEST VOORKOMENDE INDICATIES. Zoals reeds vermeld: het is een fysische diagnostiek die wordt toegepast bij de ziekte kanker maar ook heel goed toegepast kan worden bij vele andere aandoeningen die te maken hebben met een tekort aan vitaminen of mineralen. In het bijzonder zijn te noemen de desadaptatieziekten zoals het oververmoeidheidssyndroom, het reactief hypoglycaemiesyndroom en het postviraalsyndroom. Relatieve contraindicatie: vit. A bij zwangeren.
GEWENST KENNIS/VAARDIGHEIDSNIVEAU: B.
7. LITERATUUR:
C. Moerman; Kanker... kan genezen door voeding, Ank-Hermes, Deventer.Ronhaar en C. van Groningen, Dokter Moerman, Elmar, Delft.D.W. Beaven, S.E Brooks, - A colour atlas of the tongue. - A colour atlas of the nail. Dit boek bevat mooie plaatjes. Helaas zijn de foto’s wanneer ze betrekking hebben op de voedingsstoornissen genomen van oligofrenen.H.P Bach: Aussere Keupzeichen innerer Erkrankungen, ISBN 3-920788-32-x.
5. Diagnostiek en therapie volgens F.X. Mayr
MethodeKorte uitleg en verduidelijking van de naamHistorieBeschrijving van de methodeToepassingsgebied / meest voorkomende indicaties en contra-indicatiesOnderdelen van de methode die beheerst dienen te worden door artsen ABNG;en gewenste niveau van kennis / toepassing voor artsen ABNG
Hoofdstuk 1.
De diagnostiek en therapie volgens F.X. Mayr is een methode waarbij door nauwkeurig reproduceerbaar lichamelijk onderzoek en anamnese van de patiënt een beeld wordt verkregen over zijn/haar gezondheidstoestand. Hiervoor gebruikt de arts gangbaar regulier lichamelijk onderzoek en anamnese aangevuld met specifiek lichamelijk onderzoek volgens F.X. Mayr. Deze heeft een aantal criteria geformuleerd die de mate van gezondheid aangeven. Aan de hand van de gezondheidscriteria wordt een behandelingsplan opgesteld. De behandeling volgens F.X. Mayr is gebaseerd op het versterken van het zelfgenezende vermogen van het lichaam en berust op drie pijlers. Ten eerste ontzien: herstel en regeneratie van het lichaam door een kuurdieet en een specifieke manier van eten. Ten tweede reiniging: ontslakking, ontgifting en ontzuring van het lichaam. Ten derde training: verbetering van lichaamsfuncties door scholing van betere eet- en leefgewoontes. Later is substitutie van eventuele tekorten aan voedingsstoffen, aan de drie pijlers toegevoegd. Bij de uitvoering van de behandeling kan met het uitgebreid lichamelijk onderzoek en anamnese de voortgang van de behandeling vervolgd en beoordeeld worden.
Hoofdstuk 2.
De diagnostiek en therapie volgens F.X. Mayr is genoemd naar dr. F.X. Mayr (1875-1965) een Oostenrijkse arts, die bij grondig onderzoek van zijn patiënten vond dat bij het merendeel de spijsvertering in meer of mindere mate verstoord was. Hij ontwikkelde een diagnostiek en therapie om de darm weer in een goede conditie te brengen. Wanneer de darm in balans werd gebracht bleken ook vele andere lichamelijke ziektesymptomen te verdwijnen.
Hoofdstuk 3
Dr. Frans Xaver Mayr werd op 28-11-1875 Grobming (Steiern) geboren. Hij studeerde geneeskunde aan de universiteit van Graz. Hij ontwikkelde grote interesse in het functioneren van het maag darm kanaal bij chronisch zieke patiënten. Bij het werk in een kuuroord legde hij het verband tussen darmtraagheid en chronische gezondheidsproblemen. Hij stelde zich de volgende vragen:Waaraan herkent men een gezonde darm?Welke vorm / grootte en eigenschappen bezit een gezonde buik?Waar ligt de grens tussen gezondheid en ziekte?Op deze vragen kreeg hij vanuit zijn universitaire opleiding geen antwoorden. Hoe meer Mayr zich met deze vragen bezig hield hoe meer hij het belang hiervan inzag. Van het zoeken naar antwoorden op deze vragen heeft hij zijn levenswerk gemaakt. Hij introduceerde de begrippen tonusleer en enteropathie.
Hoofdstuk 4
De arts kan slechts behandelen en opereren maar genezen kan alleen het natuurlijke eigen zelfgenezende vermogen van de zieke. Het is een basisprincipe van de Mayr- methode de patiënt te motiveren, met vreugde, persoonlijke inzet en discipline aan zijn gezond-wording mee te werken. Om ten slotte door de opgedane ervaring en scholing over voeding en levensgewoonten tot een betere gezondheid en levenskwaliteit te komen.
Voor het toepassen van deze methode maakt de arts gebruik van zijn zintuigen (oog, oor, hand, neus en hart). De arts neemt een reguliere anamnese af en doet regulier lichamelijk onderzoek aangevuld met specifieke door F.X. Mayr ontwikkelde diagnostiek. De therapie berust op uitgangspunten volgens principes van de natuurgeneeskunde:het activeren van het zelfgenezende vermogen van de mens,het gezond maken van het interne milieu, ende stofwisseling sparen in plaats van overbelasten. Anamnese De reguliere anamnese wordt verdiept door uitgebreidere tractus digestivus en voedinggewoonten anamnese.
Diagnostiek volgens F.X. Mayr De diagnostiek volgens F.X. Mayr is gebaseerd op het begrip van de volledige gezondheid. Waarbij gezocht wordt naar de diagnostisch meetbare criteria van de werkelijke gezondheid van het menselijk lichaam, met name:kenmerken van de volledig gezonde buik en zijn organen,kenmerken van de volledig gezonde lichaamshouding,kenmerken van de volledig gezonde lichaamsvochten (humoraal-diagnostische kentekenen aan de hand van de toestand van het weefsel), enkenmerken van de volledig gezonde huid.In de praktijk blijkt de volledig gezonde mens zelden te vinden. Mayr hanteert niet de gangbare norm van de afwezigheid van ziekte maar differentieert gezondheids-toestand volgens de volgende schaal: a) gezondheid, b) schijngezondheid, c) ziektevoorveld, en d) ongezondheid. Tevens kan aanvullend ontlastingsonderzoek zinvolle informatie geven.
Onderzoek volgens F.X. Mayr Het onderzoek van de patiënt begint bij de binnenkomst in de spreekkamer. De blik, de gezichtsuitdrukking, de stem en de handdruk geven de arts veel bruikbare informatie. Het algemeen lichamelijke onderzoek vindt vanzelfsprekend plaats. Mayr hanteerde het begrip van de vitale, de atrofische patiënt en de mengvormen daarvan Daarnaast wordt met name gelet op onderstaande criteria:gezondheidsmaten in stand,humoraaldiagnostische criteria, enonderzoek en maten liggend Ad1) Gezondheidsmaten in stand
a) Buikvormen volgens F.X. Mayrnormale buikscheve buikholle buikhongerbuikontstoken holle buikgasbuikdrekbuikslappe drekbuikontstoken drekbuikgas-drekbuikslappe gas-drekbuikontstoken gas-drekbuikvetbuik b) Buikvormen en lichaamshoudingnormale houdinggeef-achthoudingstarthoudingeendenhoudingslappe houdingzaaiershoudinggrote tromhouding c) Thoraxvormen:gezonde thoraxpeervormige thoraxruitvormige thoraxklokvormige thoraxparalytische thoraxthorax welvingen: 1) leverwelving2) duodenum welving 3) maag welving 4) hart welving 5) linker colonflexuur welving 6) galblaas welving 7) colon transversum welving
Ad 2) Humoraaldiagnostische criteria kleur van de huid dermografisme tonus van de huid haar nagels sclerae conjunctiva mond tong foetores Ad 3) Onderzoek en maten liggend Met percussie, auscultatie, observatie en palpatie worden de specifieke maten volgens Mayr bepaald: Onderzoek volgens Mayr: * percussie van de stand van het middenrif * percussie van de maag * palpatie van de buik , lever, galblaas, jejunum en ileum, colon * palpatie van de thorax Maten volgens Mayr:borstbeenhoogtemamma driehoekbuikmaatgrote buikmaatepigastrische hoekdistantia iliocostalis minimanavelmaatdundarmmaatlordoseDaarnaast wordt de rug onderzocht met in acht name van huid, musculatuur, reflexzones, verkrampingen en verslakkingstekenen. Tevens wordt de wervelkolom, de nierregio en de toestand van de extremiteiten bekeken.
Therapie
Vindt plaats volgens de principes:
1) Rust/ontzien (Schönung) 2) Reiniging (ontgifting en ontslakking) 3) Training/scholing 4) Substitutie
Therapie volgens Mayr is elke behandeling die de bovenstaande vier genezingsprincipes volgens Mayr, tegelijkertijd; op de individuele patiënt afgestemd op de juiste wijze en gedurende de juiste tijdsduur toepast: Ad 1) Rust /ontzien: a) kwantitatieve beperking van voedsel b) kwalitatieve beperkingen: * monotone voedselkeuze * specifieke samenstelling * goed kauwen (sneller verzadigingsreflex) Ad 2) Reiniging: a) grof: bitterzout ‘s ochtends op de nuchtere maag fijn: verbeterde speekselproductie b) bevordering van de uitscheiding via de nieren, longen en de darm c) manuele buikbehandeling Ad 3) Scholing: a) kauwscholing b) hergewenning aan drinken (water, kort getrokken kruidenthee) (2-4 liter per dag) c) verbetering van eetgewoontes Ad 4) Substitutie: Eventuele tekorten van vitaminen, mineralen, spoorelementen, vetten, aminozuren etc. dienen opgespoord en behandeld te worden. Specifiek wordt de verzuring van de kuurpatiënt tegen gegaan door het gebruik van basisch poeder.
Therapievormen: De keuze van de therapievorm wordt individueel bepaald afhankelijk van de constitutie (vitaal / atrofisch / mengvorm) en de gezondheidstoestand van de patiënt.
genezend theevasten volgens Mayr (alleen in kuursanatoria),kuurbroodjes met eiwitbron volgens Mayr,verrijkte eiwitbron met kuurbroodje volgens Mayr, enmild dieet volgens Rauch (drie fases).
Manuele buikbehandeling: De manuele buikbehandeling is een behandeling van de buik. Deze behandeling wordt alleen toegepast door artsen. Ze dient als instrument om de voortgang van de therapie te meten en beoogt de volgende effecten:tonusverbetering en verbetering van de peristaltiek van de darm,ontslakking van de bloed en lymfecirculatie van de darm,verbetering van de ademhaling (vermindering van diafragma hoogstand), enontspanning.
Hoofdstuk 5
De diagnostische aanvullingen van Mayr hebben een zeer breed toepassingsgebied en zijn voor elke arts die zijn patiënt natuurgeneeskundig grondig wil onderzoeken van het grootste belang aangezien de observaties veel informatie geven over de huidige gezondheidstoestand van de patiënt. De arts heeft dankzij de reproduceerbare diagnostische parameters tevens een instrument in handen waarmee het effect van de therapie goed gevolgd kan worden.
De reinigingsprincipes volgens F.X. Mayr kunnen ingezet worden bij problemen aan spijsverteringsorganen, luchtwegen, hart- en vaatziekten, huidaandoeningen, problemen met over- en ondergewicht, hypoglycemie, menstruatieklachten, overgangsklachten, hoofdpijn, fibromyalgie, spier- en gewrichtsklachten, rugklachten en neuro-vegetatieve stoornissen.
Contra-indicaties: Manifeste maligniteiten, psychose en andere zware psychische problematiek, rouwverwerking, anorexia en bulimia, ernstige koortsende ziektes, tuberculose en schildklieraandoeningen.
Hoofdstuk 6
De opleiding in diagnostiek en therapie volgens dr. F.X. Mayr omvat tweeweekse cursussen waarin de arts-cursisten naast theoretisch en praktisch onderwijs in natuurgeneeskundige principes rondom reinigen en vasten ook zelf een (milde) reinigingskuur ondergaan. Het is van essentieel belang dat de arts aan zichzelf ervaring opdoet. De eigen ervaring maakt het de arts mogelijk het goede voorbeeld te geven waardoor het belang van hetgeen hij van zijn patiënt verlangt op eigen ervaring berustend kan worden overgedragen.
Indeling van kennisniveau’s:
Niveau Ba: (diepgaand theoretisch) Dit niveau wordt bereikt door de volledige opleiding in diagnostiek en therapie volgens dr. F. X. Mayr te volgen. Dit omvat drie maal een tweeweekse cursus in Oostenrijk, met het behalen van het diploma. Registratie bij de Internationale Gesellschaft der Mayr-Ärzte vraagt regelmatige nascholing en uitwisseling van kennis en ervaring. Niveau Bb: (in grote lijnen theoretisch) Het volgen van een tweeweekse opleiding in diagnostiek en therapie volgens dr. F.X. Mayr in Oostenrijk. Niveau A: (theoretisch en/of gezien hebben in een demonstratie) Kennis nemen van het boek: “De Mayr-darmreinigingskuur … en daarna gezonder leven”, geschreven door dr. Erich Rauch (ISBN 90-6030-611-2).
Indeling toepassingseisen voor leden ABNG:
Niveau 1: (door alle leden van de ABNG) Diagnostiek volgens dr. F.X. Mayr Niveau 2: (door een deel van de leden van de ABNG). Dit niveau sluit aan bij de tweeweekse opleiding genoemd onder kennisniveau Bb. Diagnostiek volgens dr. F.X. Mayr en therapie volgens dr. F.X. Mayr bij ongecompliceerde ziektebeelden in de ambulante praktijk. Niveau 3: (door enkele gespecialiseerde leden van de ABNG toegepast). Dit niveau sluit aan bij de tweeweekse opleiding genoemd onder kennisniveau Ba. Diagnostiek en therapie volgens dr. F.X. Mayr bij gecompliceerde ziektebeelden zowel stationair als ambulant.
Literatuurlijst: Lehrbuch der Diagnostik und Therapie nach F.X. Mayr, door dr. Erich Rauch Haug verlag, ISBN 3-7760-1392-3
6. Microbiologische therapie.
1. NAAM: MICROBIOLOGISCHE THERAPIE De vroeger gebezigde term “symbiontentherapie” is verlaten.
DEFINITIE/OMSCHRIJVING: De microbiologische therapie is een immuuntherapie met behulp van fysiologische darmbacteriën of hun stofwisselingsproducten. Het doel is de beïnvloeding van de lichaamseigen afweer in samenhang met stofwisselingsfuncties in algemene zin en in het bijzonder van het totale spijsverteringsstelsel. Deze combinatie van doelstellingen wordt duidelijk als we bedenken dat de darm, fylogenetisch gezien, het primaire orgaan is waar communicatie met de buitenwereld plaats vindt, zowel wat ‘afweer’ als wat ‘opname’ betreft.
De volgende begrippen worden gebruikt: Probiotica: microbiële preparaten en autovaccins. Microbiële preparaten: preparaten die levende, geïnactiveerde of stofwisselingsproducten van microorganismen bevatten. Autovaccins: preparaten gemaakt van lichaamseigen bacteriën van een persoon, meestal op basis van E. coli varianten, die altijd geïnactiveerd en apathogeen zijn. Darmfloradiagnostiek d.m.v. faecesonderzoek: er wordt naast de microscopische diagnostiek o.m. gebruik gemaakt van kennis op het gebied van immunologie, biochemie en microbiologie.
ACHTERGRONDEN VAN HET ONTSTAAN VAN DE METHODE: De huidige vorm van de therapie stoelt vooral op het werk dat sinds 1954 gedaan is door een werkgroep van artsen (Arbeitsgemeinschaft für Mikrobiologische Therapie te Herborn) in Duitsland. In die tijd was er al heel wat bekend over de mogelijkheden om (producten van) bacteriën als behandeling te gebruiken. Het was er de werkgroep vooral om te doen om deze kennis te verzamelen en te onderbouwen.
Het eerste opzettelijke ingrijpen in het microbiologische gebeuren in de darm had plaats aan het begin van deze eeuw. Er waren destijds 4 darmbacteriën bekend: Escherichia coli, Streptococcus faecalis, Lactobacillus acidophilus en Lactobacillus bifidus. Er was nogal wat verschil van mening over de E. coli. Het nut ervan werd in de eerste wereldoorlog aangetoond door de arts Nissle, die daarmee de eerste was die darmbacteriën als een therapeutisch middel gebruikte. In Duitsland en omringende landen werden geleidelijk aan vooral de E. coli en S. faecalis toegepast. In de Verenigde Staten daarentegen meer de L. acidophilus en L. bifidus. Dit geografisch bepaalde verschil in nadruk op de diverse fysiologische bacteriën weerspiegelt zich nog steeds enigszins in de herkomst van de diverse preparaten. In het laatste decennium is de kennis over en de belangstelling voor de mogelijkheden van de probiotica enorm toegenomen.
4. BESCHRIJVING VAN DE METHODE.
De microbiologische therapie is een “probiotische methode” die in eerste instantie ontwikkeld werd op grond van ervaringen en hypothesen. Wetenschappelijke basisgegevens werden pas (veel) later gevonden toen de onderzoeksmethodes verbeterden.
Essentieel zijn de regulatie van het immuunsysteem, de verbetering van de stofwisseling in het maag-darmstelsel en de beïnvloeding van de slijmvliesflora d.m.v. het gebruik van speciaal uitgekozen bacteriën.
Slechts een zeer klein deel van de micro-organismen die op huid en slijmvliezen van de mens voorkomen is van belang voor de therapie. In aanmerking komen Enterokokken, Escherichia coli en melkzuurbacteriën als Bifidobacterium bifidum en Lactobacillus acidophilus. Enterokokken en E. coli hebben vooral een regulerend effect op het immuunsysteem; Melkzuurbacteriën dienen vooral ter beïnvloeding van het darmmilieu De praktische toepassing bestaat meestal uit meerdere componenten: Altijd: is het opvolgen van voedings- en leefadviezen essentieel. Soms: is het voldoende om vervolgens alleen het darmmilieu te beïnvloeden d.m.v. melkzuurbacteriën. Vaak: is een therapie met Enterococcus faecalis en Escherichia coli nodig. Eventueel: worden autovaccins gebruikt (meestal is er dan sprake van ernstige chronische aandoeningen die resistent zijn voor de tot dan toe ingestelde therapie) Uitgebreidheid en duur (vaak 6 - 12 maanden) van de therapie is uiteraard afhankelijk van de diagnose en de ernst van de aandoening en van het aanslaan van andere therapeutische mogelijkheden. De therapie kan worden toegepast onafhankelijk van een faecesonderzoek. Dit laatste kan echter nuttig zijn, o.m. bij therapieresistentie of chronische aandoeningen. (Zie Eindtermen Faecesonderzoek). Voor de wetenschappelijk achtergronden van de werking van bacteriën op het immuunsysteem zie literatuur.
Uit de functie van de darmflora blijkt ook het indicatiegebied, dat dus zeer uigebreid is. acute, chronische en recidiverende infecties van: - Tr. respiratorius - Tr. urogenitalis - Huid acute, chronische en recidiverende aandoeningen van de Tr. digestivus, o.a.: enterocolitis van diverse oorsprong (ook reizigers’ diarree), obstipatie, spastisch colon, diverticulose/-itis, voedingsmiddelenallergie, colitis ulcerosa en M. Crohn schimmelinfecties allergische aandoeningen: o.a. asthma bronchiale, eczemen, atopische dermatitis. als ondersteunende maatregel bij bijv. - rheumatische aandoeningen - maligniteiten - spijsverteringstoornissen - stofwisselingsstoornissen
Hoe gaat de therapie in zijn werk bij langer bestaande problemen? Voedingsadviezen in de zin zoals die bij ABNG artsen gebruikelijk zijn, waarbij met name biologische geteelde producten van belang zijn. Ter verbetering van het darmmilieu: innemen van melkzuurbacteriën, m.n. L. acidophilus, Bifidobacterium bifidum (producten van meerdere firma’s komen in aanmerking). Voorschrijven van metabolieten (ProSymbioflor, Hylak forte), Enterococcen (Symbioflor 1) en E. Coli (Symbioflor 2, Mutaflor) volgens een bepaald schema, dat, al naar gelang het doel, aangepast kan worden.
Het basisschema luidt als volgt: 1e Fase: Gedurende ongeveer 4 weken Prosymbioflor (3 flesjes opmaken): 3 dd. A.C. (oplopend van 5-15 dr), tevens Symbioflor 1: 2 dd. (‘s morgens en ‘s avonds) 20 dr. 2e Fase: Prosymbioflor stoppen, Symbioflor 1 continueren, starten met Symbioflor 2: (langzaam) oplopend van 3 dd. 2 dr. tot 20 dr. P.C.
Voor diverse ziektes zijn aangepaste schema’s nodig. Bij sommige akute ziektes kan bijv. uitsluitend Symbioflor 1 gegeven worden.
Probiotica zijn niet geïndiceerd bij levensbedreigende infecties, daar dit het terrein is van antibiotica. Wel kan het nuttig zijn bij maag-darmklachten tijdens antibiotica-gebruik tevens melkzuurbacteriën te geven. Na afloop van een antibioticakuur kan een probiotica-kuur zinvol zijn, evt. alleen Enterococcen.
KENNIS/VAARDIGHEIDSNIVEAU VOOR ABNG ARTSEN. Niveau B. 6.a. Microbiologisch onderzoek: DARMFLORADIAGNOSTIEK
NAAM: DARMFLORADIAGNOSTIEK DEFINITIE/OMSCHRIJVING:Onderzoek naar samenstelling en functie van de darmflora met als doel te komen tot een bijdrage aan het stellen van de diagnose en het geven van een therapie. ACHTERGRONDEN VAN HET ONTSTAAN VAN DE METHODE:Dit is nauw verbonden met het ontstaan van de microbiologische therapie: zie de desbetreffende literatuur. BESCHRIJVING VAN DE METHODE:Door nieuwe kennis en moderne technieken is deze diagnostiek een specialistische laboratoriummethode waarbij naast microscopie en functietests gebruik wordt gemaakt van kennis uit de immunologie, biochemie en microbiologie. TOEPASSINGSGEBIED:Darmfloradiagnostiek kan een nuttig hulpmiddel zijn om te komen tot een diagnose en een (microbiologisch) therapieadvies. KENNIS/VAARDIGHEIDSNIVEAU VOOR ABNG ARTSEN:Niveau B2. Literatuur:Brundel, B.: De grote misvatting omtrent Vaccinaties. Tschr. Integr. Geneesk. 1997;13(6):245-250.Co`med: Interview met Karl-Heinz Hölzel. Co`med, Jrg.3,4(1997):60-62.Institut Für Mikroökologie, Am Hintersand, D-Herborn-Dill: Empfehlungen zur Mikrobiologischen Therapie und Ernährungstherapie für Jung und Alt. 1988.Jansen, Dr. G.J.: Darmfloradiagnostiek, Heilige Graal of doos van Pandorra? Samenvatting van lezing.Kalinski, S.: Steigerung der Körpereigenen Abwehr bei chronisch rezidivierenden Tonsillitis. Fortschritte der Medizin, Jrg.104,43 (1986):843-846.Maa$, Ch.: Das Konzept Mikrobiologische Therapie. Erfahrungsheilkunde Jrg.41,3a (1992):221-224.Mommsen, H.: Über dei Ernährung des Säuglings. Erfahrungsheilkunde Jrg.20,11 (1979):854-857.Plantinga, J.: “Organisch-biologische landbouw” in: Commissie Onderzoek Biologische Landbouwmethoden: ”Alternatieve landbouwmethoden” (1977) Centrum voor landbouwpublikaties en landbouwdocumentatie, Wageningen, blz. 72-84.Rusch, H.P.: Bodenfruchtbarkeit. Eine Studie Biologischen Denkens. Karl F. Haug Verlag, Heidelberg, 1968. Verlagsnr. 6118.Rusch, Kerstin; Rusch, Volker: Mikrobiologische Therapie, Grundlagen und Praxis. Haug Verlag 2001.Rusch, V.: Wissenschaftliche Grundlagen der Symbioselenkung als Therapie. Physikalische Medizin und Rehabilitation, Jrg.13,5(1972):122-128.Rusch, V.: Mikrobiologische Therapie: ein wissenschaftlich begründetes Konzept zur Immunmodulation. Erfahrungsheilkunde Jrg.43,.9 (1994) 472-482.Schulze, J.: Darmflora - Faktor und Produkt unserer Umwelt. Erfahrungsheilkunde, Jrg.42,2 (1993):40-45.Schulze, J.: Konnen Milchprodukte die Darmflora regenerieren? Erfahrungsheilkunde,Jrg.44,3a (1995):237-242.Schulze, J.: Thesen zu: Darmflora in Symbiose und Pathogenität. Erfahrungsheilkunde, Jrg44,3a (1995):218-219.Sonnenborn, U.: Auswirkungen von Umweltgiften und anderen exogenen Noxen auf Mikrookologie und Immunologie des gastrointestinaltrakts. Erfahrungsheilkunde Jrg.42,3(1993):46-49.Thonon, B.: Bacterie: vriend of vijand? Ned.Tschr.Integr.Gen. Jrg.1/2,6(1985):289-293. Thonon, B.: De Microbiologische Therapie. Ned. Tschr.Integr.Gen. Jrg. 14,3(1998):109-111.
7.Colon – hydrotherapie.
1. NAAM: COLON HYDROTHERAPIE
2. KORTE UITLEG: Colon-Hydrotherapie wordt in Nederland door een beperkt aantal artsen van de ABNG-2000 in hun praktijk toegepast. Hoewel zij allen deze methode begrijpen en volledig ondersteunen, is ervaring, vertrouwen en traditie op dit gebied nog in een ontwikkelingsfase.
3. HISTORIE : Darmspoelingen vinden al sinds eeuwen en in alle culturen plaats als belangrijke geneeskundige handeling. De oudste bronnen die over darmspoelen spreken staan in de Ayurveda en in vroegchristelijke geschriften. Allerlei vormen van klysmata zijn door de millennia heen voor vele indicaties voorgeschreven. In de vorige eeuw is door de Oostenrijker Dr. von Borosini een stoel ontwikkeld, waarbij de spoelingen dieper en intensiever konden plaats vinden dan de tot dan gehanteerde klysmata. In Nederland begon A. ten Haaf met deze methode en werkte met deze stoel gedurende een aantal decennia. Aan het eind van zijn carrière, in 1977, legde hij zijn praktijkervaringen neer in het boek “Gezond door hoge darmspoelingen”. Rond diezelfde tijd werd in Californië een nieuw apparaat uitgevonden dat de nadelen van de ‘stoelmethode’ oploste. Daar werd de methode van een gesloten aan- en afvoersysteem ontwikkeld. Dit maakt het mogelijk dat zowel patiënt als behandelaar tijdens de behandeling niet zintuiglijk belast worden met de effecten van de uitscheiding. Deze nieuwe methode heeft zich inmiddels over de wereld verspreid en is via Duitsland in ons land terecht gekomen.
4. FEITELIJKE BESCHRIJVING VAN DE METHODE De behandeling dient zonder spanning en forceren te worden uitgevoerd. Het gaat namelijk niet alleen om het schoonspoelen, maar (vooral) ook om het actief helpen bij het ontspannen van de spanningen in het colon. Om die reden is het van groot belang dat patiënt de methode zelf begrijpt en voelt er aan toe te zijn. Het beste is als de patiënt zelf het initiatief voor de behandeling neemt. Indien de patiënt ertoe wordt aangezet, zonder er zelf helemaal achter te staan, dan kan het schoonspoelen nog wel lukken, maar zal via de emotie de spanning van de darm alleen maar toenemen. Voorafgaand aan de behandeling wordt door de ABNG-2000 arts eerst een integrale diagnose gesteld en mogelijke contra-indicaties uitgesloten. Bij de patiënt wordt in rug- of zijligging een speculum anaal ingebracht. Met aanwijzingen voor de diepst mogelijke ontspanning wordt vervolgens gefilterd water op lichaamstemperatuur in de darm ingelaten en vervolgens bij bereiken van een bepaalde druk weer losgelaten. Ook lagere en wisselende temperaturen en toevoegingen aan het spoelwater worden wel toegepast. Ondertussen kunnen diepe buikademhalings- en massagebewegingen de vastzittende slakstoffen helpen losmaken.
5. TOEPASSINGSGEBIED / INDICATIES / CONTRA- INDICATIES: In de praktijk blijkt de lijst van indicaties voor deze methode zeer uitgebreid te zijn. In de ayurveda wordt de methode van darmspoelingen dan ook de allerbeste van de reinigingsmethode genoemd. Contra-indicaties zijn afhankelijk van de praktijkervaring van de behandelaar. Men kan er in beginsel van uitgaan dat bij zwangerschap, coloncarcinoom, diverticulitis en colitis geen spoelingen worden toegepast. Toepassing bij kinderen onder de zestien jaar dient met de grote terughoudendheid plaats te vinden.
6. en 7. NIVEAU van KENNIS / VAARDIGHEID: Van de ABNG-2000 arts wordt verwacht dat hij/zij de indicaties en werking van deze methode begrijpt. Dat zij/hij deze methode kan toepassen dan wel voor adequate verwijzing zorgt. Indien hij/zij de methode zelf wil toepassen, worden stagemogelijkheden aangeboden. Kennisniveau B Vaardigheidsniveau 1
8.Hydro – balneotherapie. NAAM: HYDROTHERAPIE/BALNEOTHERAPIEDEFINITIE/OMSCHRIJVING/KORTE UITLEG: ‘ Hydro ‘ = water, ‘ Balneo ‘ = bad. Hydrotherapie en balneotherapie hebben als overeenkomst dat water (met zijn diverse eigenschappen) als therapeutische prikkel wordt ingezet. Het water wordt op verschillende manieren gebruikt, waarbij door variatie in temperatuur, grootte van het te behandelen huidoppervlak, tijdsduur, eventuele toevoegingen aan het water en het soort behandeling (zie hieronder) een zeer individuele dosering mogelijk is. We kunnen de volgende behandelingen onderscheiden: AfwassingenBegietingenBaden (van deelbad - bijvoorbeeld: voetbad - tot volbad)WikkelsPakkingenBespuitingenElectrische badenSaunaIndien men in een tijdsperiode van 3-4 weken, meerdere waterprikkels per dag krijgt toegediend, kan men een zeer langdurige verbetering van de gezondheid bewerkstelligen (bij gelijktijdige toepassing van de 4 andere “Kneipp-zuilen” te weten: gezonde voeding, beweging, plantengeneeskunde en “Ordnung”.)
Kneipptherapie wordt idealiter in een kuurkliniek bedreven. In Nederland zijn in de afgelopen twee decennia, meerdere pogingen ondernomen om een kuurkliniek te stichten. Vanwege financiële redenen bleek dit niet te realiseren. De hydro-/balneotherapie kan echter ook in een niet-klinische setting beoefend worden, in veel gevallen (zelfs) in de eigen badkamer. Het effect van de behandeling zal dan echter minder diep zijn, aangezien men hier niet van een kuur kan spreken.
HISTORIE / ACHTERGRONDEN VAN HET ONTSTAAN VAN DE METHODE: Al ten tijde van Hippocrates (460-359 voor Christus) werd het belang van water als genezend element ingezien, met name in de vorm van baden. In Duitsland zijn het Priessnitz, maar het meest nog Kneipp (1821-1897) geweest, die de mogelijkheden van water als gezondheidsbevorderende (en daarmee ook ziektebestrijdende) factor uitgebreid onderzocht hebben. De Kneipp-therapie wordt in Duitsland al meer dan een eeuw door artsen toegepast en is daar ook uitgebreid wetenschappelijk onderzocht.
FEITELIJKE BESCHRIJVING VAN DE METHODE: Hoe werkt de Balneo-Hydrotherapie ? Balneo-hydrotherapie is buitengewoon uitgebreid: de baden en Kneipp’se watertoepassingen kennen meer dan 100 toepassingsmogelijkheden. Er is een sterke variatie mogelijk in de toegediende prikkel of “Reiz”, variërend van subtiele, eenvoudige begietingen/wassingen van een enkele lichaamsdeel (b.v. extremiteit) tot zeer sterke prikkels zoals we die kennen van de “Blitzguss” of “Vollbad”. Door deze grote verscheidenheid zijn er ook veel mogelijkheden om de balneo-hydrotherapie aan de reactietoestand van de individuele patiënt aan te passen. Een basis voorwaarde voor een dergelijke therapie is natuurlijk dat het menselijk lichaam in staat is tot reactie.
Er is een verschil in werkingsmechanisme tussen de Kneippse toepassingen en de baden. Werking balneotherapie/baden. Het bad, ofwel het onderdompelen van het lichaam (in een ander omgevingsmilieu dan lucht), betekent voor het systeem/organisme een “prikkel” voor de talrijke regelsystemen die het lichaam in homeostase houden. Deze prikkel of ”Reiz” wordt door het organisme op fysiologische wijze beantwoord. Als voorbeeld het “Vollbad”, het volledig onderdompelen van het lichaam in water. Doe je dit onder thermo-neutrale omstandigheden, d.w.z. dat er geen temperatuurs-afhankelijke reacties worden uitgelokt, (water 34°C - 35°C), zijn de optredende effecten louter een gevolg van mechanische of reflectoire aanpassingsreacties op die veranderde omgeving. De effecten zijn dan meetbaar op het neuromusculaire systeem en de regelsystemen van water- en electrolythuishouding, bloedvolume en bloeddruk. Deze effecten worden veroorzaakt door de hydrostatische en opwaartse druk naast de viscositeit van het “bad-medium” (behalve water kan dat ook modder, olie, etc. zijn). Onderstaande tabel laat de effecten zien van deze “verstoring” van de regelsystemen onder thermoneutrale omstandigheden (uiteraard is deze tabel niet volledig): Neuromusculair Spierrelaxatie Reflectoire contractieBeweeglijkheid Zuurstofverbruik Endocriene systeem Renine-Angiotensine-Aldosteron Catécholamines Cortisol Vasopressine β-endorphine Bloed Haematocriet Plasmavolume Plasmaviscositeit Osmolariteit Longfunctie Vitale capaciteit Ademweerstand SaturatieHaemodynamischCentraal veneuze druk SlagvolumeHartfrequentieBloeddrukNierfunctieDiureseGlomerulaire filtratie Zodra we niet alleen het lichaam onderdompelen, maar tegelijk ook de omgevingstemperatuur gaan veranderen, zullen ook andere effecten optreden. Het systeem van de warmtehuishouding is bedoeld om de thermische homeostase in stand te houden; d.w.z dat de kerntemperatuur (hersenen-, borst- en buikruimte) stabiel op ± 37 °C wordt gehouden. De dagschommelingen zijn slechts 0,5°C - 1°C. De autonome temperatuurregulatie wordt vooral door de hypothalamus gestuurd. Deze regelsystemen zijn allemaal op “lucht” als omgevingsmedium gericht. Door het lichaam in een ander medium (water, olie, modder) onder te dompelen veranderen de warmte uitwisselingssystemen ingrijpend. Waar in lucht vooral afkoeling door uitstraling of radiatie is, wordt in vloeistof vooral de weg van convectie belangrijk, terwijl er ook geen afkoelingseffect van zweten meer mogelijk is. Je kunt natuurlijk afhankelijk van de indicatie een koud of warm bad toepassen, waardoor respectievelijk een hypo- of hyperthermie ontstaat. Naast de reeds genoemde effecten (zie tabel) bereiken we door de thermische prikkels nog andere effecten, n.l. op het immuunsysteem. Dit kan zowel immuunstimulerend als immuunsuppressief zijn. Tevens ontstaat er (vooral door hyperthermie) een stabiliserend effect op het vegetatief regulerend systeem. Naast bovengenoemde prikkels wordt het therapie-effect ook nog bereikt door de chemische reacties als gevolg van de toevoegingen aan de vloeistof (b.v. dennenolie) of van stoffen die er van nature in zitten (zouten/koolzuur). Behalve baden (met of zonder toevoegingen) in water, olie, C02, modder, zand, teer etc., zijn er nog bewegingsbaden, electrische baden (Stangerbad) en radonbaden.
De effecten die zeer goed onderzocht zijn voor balneotherapie gelden ook voor de Kneippse wassingen en begietingen. Bij de begietingen /wassingen komt de extra prikkel van de temperatuurwisseling warm-koud.
Voor diegenen die gemotiveerd zijn en met name tijd willen investeren in de bevordering van hun gezondheid, heeft de hydro-/balneotherapie tegen geringe kosten een aantal waterbehandelingen te bieden die thuis zijn toe te passen en het zelfgenezend vermogen kunnen bevorderen. De belangrijkste behandelingen zijn: A. “Hardende” maatregelen als wisseldouches, koude afgietingen, afwassingen, dauwtrappen, sneeuwlopen, watertreden B. Therapie-ondersteunende maatregelen: afwassingen, (wissel)baden, pakkingen, afgietingen, wikkels.
Indien men hiermee aan het werk wil, is het noodzakelijk de later vermelde literatuur te raadplegen voor de uitvoering hiervan. Om een indruk te geven van de gang van zaken, volgt hieronder de beschrijving van één van de vele behandelingen: Wisseldouche: na het (meestal) gebruikelijke warme (temperatuur naar behoefte) gedeelte, doucht men kort koud (temperatuur: 12 °C) na. Belangrijk is het om steeds goed door te blijven ademen ! De gebruikelijke volgorde is: rechterbeen, linkerbeen, onderbuik, billen, rechterarm, linkerarm, bovenbuik/borst, gelaat en tot slot de rug. Bij de extremiteiten begint men in de periferie, d.w.z. bij de voet, respectievelijk de hand. Na de wisseldouche goed afdrogen (met name tussen de tenen, i.v.m. voetschimmel). Indien mogelijk, hierna 10-15 minuten actief bewegen (b.v. wandelen in een stevig tempo). Het effect van de wisseldouche is vitaliserend: men voelt zich erna fitter dan tevoren.
5. TOEPASSINGSGEBIED / MEEST VOORKOMENDE INDICATIES.
Er is een groot scala aan toepassingsmogelijkheden: - Abhärtung; het “harden” van het lichaam - Huidproblemen - Vegetatieve dystonie - Spier- en gewrichtsklachten - Bloeddrukproblemen - Weerstandsvermindering - Hoofdpijn/migraine - Cardiale aandoeningen - Respiratoire aandoeningen - Digestieve aandoeningen - Verkoudheden - Slaapproblemen - Stress - Hormonale storingen Er bestaat zeer veel literatuur over de vraag welk bad of welke Kneipp’se toepassing voor welk probleem zinvol is.
6. CONTRA - INDICATIES EN GEVAREN
Door de verschuivingen in het bloedvolume bij baden kunnen circulatieproblemen optreden. Bij gepredisponeerde patiënten (b.v. na hartinfarct) is voorzichtigheid geboden. Ook hartritmestoringen kunnen optreden. Dit geldt nog extra als er ook nog met sterke warmte- of koudetoepassingen wordt gewerkt. Een andere complicatie is het wegvallen van de hydrostatische druk bij het verlaten van het bad, waardoor collaps kan optreden. Ook de belasting van het respiratoir systeem is bij patiënten met een respiratoire insufficiëntie een reden voor grote voorzichtigheid.
Absolute contra-indicaties zijn patiënten met acute huidziekten en grote huidletsels, zware koortsende en infectieuze ziekten, hartinsufficiëntie stadium III en IV en hypertensie stadium II
7. GEWENST KENNIS/VAARDIGHEIDSNIVEAU: Niveau A
8. LITERATUUR/ADRESSEN:
Paul. v. Dijk:Geneeswijzen in Nederland. H.G. Pratzel: Handbuch der Medizinischen Bäder R.M. Bachmann: Die Kneipp Wassertherapie Dr. C.H. Fey/Dr. J.H. Kaiser: De moderne Kneippkuur, de Driehoek - Amsterdam Drs. Gilbert: Hydrotherapie en Balneotherapie, de Tijdstroom B.V. - Amsterdam 1975 Dr. Med. J.H. Kaiser: das Neue Groβe Kneipp-Buch, Ehrenwirth Verlag - München 1977 Dr. Med. J.H. Kaiser: Kneippsche Hydrotherapie. Allgemeine und spezielle Balneotherapie, Kneipp Verlag GmbH - Bad Wörishofen 1977 W. Brüggerman: Kneipptherapie ein Lehrbuch, Springer Verlag - Berlin 1980 Dr. Med. H. Wallnöfer: Kneippkur auch zu Hause, Humboldt Taschenbuch 230, gebr. Weiss Verlag - Berlin 1974 E. Schemburg: Sebastian Kneipp, Kneipp Verlag GmbH - Bad Wörishofen 1976
Deutscher Bäderverband E.V.: Schumannstraβe 111, 53115 Bonn (D) Verband Deutscher Badeärzte E.V.:Elisabethstraβe 7, 32545 Bad Oeynhausen. (D) Sebastian Kneipp Forschungsinstuut: Leonard Oberhaüsenstraβe 1, 86825 Bad Wörishofen
9.Orthomoleculaire geneeskunde.
1. Naam: Orthomoleculaire geneeskunde
Korte uitleg van het begrip: Genezing door middel van de “goede moleculen” in de “goede hoeveelheid”. Ofwel: het creeren van een optimaal biochemisch milieu, waarbij cellulaire ( herstel) proces- sen alle kansen krijgen, door middel van optimale voeding, zonodig aangevuld met supplementen. Verduidelijking van de naam: in het Grieks betekent “orthos” “juist”, en “moleculair” “de moleculen betreffende”.
Historie / achtergronden van het ontstaan van de methode:De term “orthomoleculair” is voor het eerst geponeerd door tweevoudig Nobelprijswinnaar prof..dr. Linus Pauling uit de VS. Pauling deed veel onderzoek naar vitamine C, en de relatie met scheurbuik en gezond- heid. Hij ontdekte het onderscheid tussen deficienties aan voedingsstoffen, minimale dus suboptimale status aan voedingsstoffen, en een optimale status aan voedingsstoffen. In een artikel in Science in 1968 ( Orthomol. Psychiatry, pag. 266) legde hij het principe uit van de orthomoleculaire psychiatrie, welk concept eveneens toepasbaar bleek op de algemene geneeskunde. Pauling maakte duidelijk dat er, bij de inname van voeding, voor de verschillende bouw- stoffen ( te weten vitamines, mineralen, spoorelementen, aminozuren, vetzuren vezels, enzymen ), minimale hoeveelheden noodzakelijk zijn om geen deficientieverschijnselen te laten ontstaan. Echter, deze minimale hoeveelheden, die zeer individueel bepaald zijn en sterk afhangen van b.v. lichamelijke aktiviteit en verteringscapaciteit, blijken vaak verre van optimaal. Een optimale gezondheid vraagt volgens Pauling om een optimale hoeveelheid van de verschillende bouwstoffen. De minimale en de optimale waarden kunnen soms wel een factor honderd verschillen. Overheden hanteren een minimale waarde, de zogenaamde ADH ( algemene dagelijkse hoeveelheid ) : beneden deze waarde zouden deficientieverschijnselen ontstaan, erboven is er sprake van gezondheid. Een voorbeeld van de discrepantie tussen de visie van Linus Pauling en die van de overheid is vitamine C: Pauling hanteert een optimale waarde van rond de 7.000 mg, terwijl de ADH vastgesteld is op 70 mg. In de orthomoleculaire geneeskunde wordt gestreefd naar optimale individuele waarden, dit is de orthomoleculaire dosering. Zo waren er in 1968 reeds vele artsen in de VS bezig met de toepassing van de orthomoleculaire geneeskunde, zoals o.a. dr. A. Hoffer, die schizofrenie behandelde met hoge doses Vitamine B 3.
4. Feitelijke beschrijving van de methode: Er vindt een uitvoerige anamnese plaats, zowel naar de lichamelijke als de geestelijke gesteldheid. Vervolgens wordt een voedingsanamnese afgenomen. Deze gegevens worden aangevuld met een lichamelijk onderzoek met speciale aandacht voor symptomen die wijzen op deficienties of intoxicaties. Zo kan een droge huid wijzen op een tekort aan vitamine A of essentiele vetzuren, tandvleesbloedingen op een tekort aan vitamine C en rhagaden op een tekort aan vitamine B2. Aanvullend kan laboratoriumonderzoek veel specifieke informatie verschaffen. Naast regulier bloed- en urineonderzoek kunnen specifieke bepalingen worden gedaan op b.v. aminozuren en zware metalen. Ook de haaranalyse kan nuttige informatie opleveren. Uit alle gegevens volgen een diagnose en een individueel behandelplan, bestaande uit voedingsrichtlijnen, leefregels (b.v. ten aanzien van alcohol- en tabakconsumptie ), en aanvulling met voedingssupplementen ter correctie van een primaire of secundaire deficientie, of b.v. ter ondersteuning van fase 1 en fase 2 van de leverontgifting. Toepassingsgebied.In principe valt alle bekende pathologie in het toepassingsgebied van de orthomoleculaire geneeskunde. Contra – indicaties zijn er niet, met dien verstande dat er een duidelijke diagnose moet zijn. ( cave maligniteiten ). De orthomoleculaire geneeskunde kan, afhankelijk van de indicatie, additief of curatief zijn. Onderdelen van de orthomoleculaire geneeskunde die door ABNG artsen beheerst dienen te worden: deficientie – en intoxicatiesymptomen en de diagnose ervan bij lichamelijk onderzoek.de samenstelling van hedendaagse voeding.basiskennis van voedingsstoffen en hun functie in het lichaam. Algemene toepassing.het voorschrijven van individuele voedingsrichtlijnen.de betekenis van enkele voedingstoffen nader bekeken: vitamine A en beta-caroteen, vitamine B, inositol,vitamine K, vitamine C, calcium, jodium, ijzer, mangaan, molybdeen, taurine.anabole en katabole processen in de lichaamsbiochemie.vetzuurmetabolisme.biochemie van de vrije radicalen. Antioxidanten-netwerk.cytochroom P 450 in detoxificatie tijdens fase 1,2 en 3 van de leverontgifting. homocysteine-stofwisseling en de implicaties op het gebied van cardiovasculaire en andere aandoeningen.suikerstofwisseling : de invloed van sucrose, fructose op hyperinsulinisme, insuline- resistentie, hypoglycemie,diabetes en hypercholesterolemie.cholesterolstofwisselingbiochemie van de immunologie; degeneratieve aandoeningen.candida – infectieskennis van de mogelijkheden van laboratoriumbepalingen in volbloed en urine van specifieke voedingsstoffen; testen voor darmpermeabiliteit, vrije radicalenbelasting, toxische belasting, ontgiftingscapaciteit, stikstofbalans, stofwisselingsziekten ( HPU), glucose-tolerantietest, immuunstatus, antistofbepalingen. Het gewenste niveau van kennis voor ABNG artsen is als volgt:Voor de onderdelen e.- f.- en o. is niveau A. gewenst. Voor de overige onderdelen is niveau B. gewenst. Het gewenste niveau van vaardigheid voor ABNG artsen is als volgt: Voor de onderdelen a. en d. is niveau 3 gewenst.
10.Eindtermen NTTT 1.Naam: Niet-toxische tumor therapie
2.Korte uitleg: De niet-toxische tumortherapie is een complementaire behandeling voor patiënten met kanker met methodes die niet of nauwelijks belastend zijn voor de patiënt. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van speciale voeding, een aantal orthomoleculaire voedingssupplementen, niet-toxische tumorremmende substanties en immuunstimulatie, zowel medicamenteus als psychisch (PNI).
3. Historie/ achtergrond voor het ontstaan van de methode: Moerman is in Nederland de eerste geweest die naar bovengenoemde therapie heeft gezocht en een behandelingsmethode heeft opgezet in het midden van de vorige eeuw. Hij had met zijn Moermandieet goede resultaten behaald bij opgegeven kankerpatiënten. Ook de Duitser Gerson, die na de tweede wereldoorlog naar Amerika emigreerde en in Californië een kliniek heeft opgezet, werkte met een dieet tegen kanker, aangevuld met kalfsleverextract. Andere artsen, die soortgelijke methodes gevolgd hebben in de behandeling van kanker-patiënten, zijn de Duitser Nieper, de Amerikanen Goldberg, Simonton en Gonzales en de Nederlander Houtsmuller, die recent een volledige opwaardering van de Moermanmethode heeft gemaakt, die bekend is geworden als de Houtsmullertherapie. Wereldwijd is intussen veel belangstelling ontstaan voor het verband tussen kanker en voeding en er zijn veel onderzoeken gedaan naar de werking van voedingsstoffen op kanker, waarbij veel positief resultaat is gevonden.. Ook naar immuunstimulatie en psychotherapie bij kanker is onderzoek gedaan en zijn positieve verbanden aangetoond. Ondanks goede resultaten uit onderzoek en behandeling is de therapie nog niet officieel erkend en ondervinden de artsen, die het toepassen vaak tegenwerking van de reguliere oncologen. Overigens wordt de behandeling steeds gegeven als complementair aan de reguliere oncologie.
4.Feitelijke beschrijving van de methode: Bij het eerste consult wordt een uitvoerige anamnese afgenomen, er wordt een goed lichamelijk onderzoek gedaan en er worden gegevens opgevraagd bij de huisarts en de specialist(en), zodat er zekerheid bestaat over de diagnose en de behandeling tot dusver en de behandelaars van elkaar weten, wat zij doen. De behandeling van de specialist wordt niet in twijfel getrokken, maar aangevuld met de onderhavige therapie. Alleen als de patiënt uit zichzelf te kennen geeft alleen voor NTTT te komen en er geen contraindicatie bestaat voor deze behandeling alleen, kan van deze regel afgeweken worden. De voedingswijze houdt in: geen vlees, wel vette vis, zeer veel groenten en groentesap, vruchten en (beperkt) vruchtensap, geen suiker en suikerproducerende stoffen, zoals zoete vruchten en stoffen met een hoge glycaemische index, weinig vet, bijna geen linolzuur, maar wel omega-3 vetzuren en omega-9 vetzuren, vermijden van pesticiden en andere toxines. Hieraan toegevoegd worden een aantal reinigingsmethodes, voor de darmen, de lever en de weefsels. Ook clysma’s horen bij deze reinigingsmethodes. De voedingswijze is o.a. gericht op vermindering van arachidonzuur (vlees en magere vis), suikers en linolzuur, omdat deze stoffen stimulerend zijn voor kankerprocessen. De grote hoeveelheid groenten wordt gegeven vanwege de kankerremmende en antioxyderende werking van groenten. Hetzelfde geldt voor fruit, gegeven als de gehele vrucht. Fruit als sap is slechts beperkt aan te bevelen vanwege de grote hoeveelheid suiker, die daar in zit. Vette vis bevat de meeste omega 3-olie, ook noten bevatten goede olie, vooral walnoten, maar pinda’s worden afgeraden omdat zij aflatoxines bevatten. Lijnzaadolie is zeer rijk aan omega 3-olie. Er wordt aangeraden veel te drinken, vooral groene thee vanwege de tumorremmende werking en goed bronwater vanwege de reinigende werking. Volle granen (tarwe, haver, rijst) zijn de beste koolhydraat leveranciers en verdienen de voorkeur boven aardappelen, die slechts in beperkte mate gegeten mogen worden. De voedingssupplementen zijn vooral antioxydanten, zoals vitamine C,vitamine E, vit. A en carotenoiden, en selenium, zoals bekend uit de orthomoleculaire geneeskunde. De overige supplementen worden gegeven vanuit natuurgeneeskundige indicatie. De tumorremmmende substanties zijn meestal plantaardige stoffen, die in hoge concentratie tumorremming geven, maar ook wel hormoonremmende stoffen en reguliere medicamenten in niet-toxische dosering (zoals b.v. cimetidine). De immuunstimulatie wordt gedaan met z.g.n. BRM’s (biological response modifiers), zoals maretak extracten en thymus en andere orgaanpreparaten, maar ook monoclonale antistoffen kunnen hieronder vallen. De psychische immuunstimulatie is een vorm van psychotherapie, die gelijkt op autogene training, waarbij meditatie gebruikt wordt om het eigen immuunsysteem te activeren. Daarnaast wordt geprobeerd de psychische belasting te verminderen en wordt de levens-situatie in beschouwing genomen.
5.Toepassing/ indicaties/ contra-indicaties De methode wordt toegepast bij kanker en ter voorkoming van kanker, als er al symptomen zijn die op mogelijk ontwikkelen van kanker kunnen wijzen. Contra indicaties: een in principe onomkeerbare staat, b.v. een terminale situatie, tenzij de patiënt vraagt om palliatie m.b.v. de NTTT. Ook is de toepassing van NTTT niet bedoeld als alternatief voor reguliere kankerbehandeling, als er een succesvolle behandeling bestaat, maar kan dan wel aanvullend gebruikt worden. Chemotherapie en radiotherapie zijn geen contraindicatie voor de hele methode, alleen bestaat er voor tumorremmende substanties en medicamenteuze immuunstimulatie tijdens chemotherapie geen indicatie (wel erna). Bij chemotherapie kunnen wel grotere hoeveelheden antioxydanten voorgeschreven worden (zonder het effect van de chemotherapie te verminderen).
6. Wat dienen ABNG-artsen van NTTT te weten? Artsen van ABNG-2000 dienen bekend te zijn met de basisprincipes van de voedingsmethode, de voornaamste supplementen en klinische symptomen, zoals beschreven in het stuk over de klinische symptomen volgens Moerman. Zij dienen de basis te kunnen leggen voor een NTTT-behandeling, maar voor de feitelijke uitbouw tot tumorremming of tumorremissie moeten zij de hulp van een gespecialiseerde nttt-arts zoeken.
7. Gewenste niveau van kennis en vaardigheid voor ABNG-artsen voeding : niveau A/1 supplementen: niveau A/1 klin. symptomen: niveau A/1
11.Adem- en ontspanningstherapie. 1. Naam: Adem- en ontspanningstherapie
2. Korte uitleg van het begrip:
Ademtherapie heeft tot doel het helpen herstellen van een natuurlijke ademhaling. De ademhaling betreft niet alleen longfunctie en ventilatie, of het communicatieve aspect van luchtwisseling (stem, reuk), maar bestaat ook uit een natuurlijke beweeglijkheid door het gehele lichaam en een voldoende gewaarwording van de respons in adembeweging op allerlei prikkels. De ‘whole body’ betrokkenheid is af te leiden uit een model van de adembeweging in relatie tot het skelet en met name de wervelkolom. Door de relatie met het skelet verkrijgen de instructies en handgrepen van de ademtherapie een stevigheid, duidelijkheid en objectiveerbaarheid die het zeer concreet maken. De subjectieve gewaarwording van het ademen, die zeer wisselvallig is, kan hiertegen afgezet worden. De ademhaling staat altijd in wisselwerking met lichamelijke spanning, mentale spanning en de gewaarwording van spanning. Wanneer deze wisselwerking soepel verloopt is de ademhaling natuurlijk. Daarom is ademtherapie gekoppeld aan ontspanning, aan beweging en aan lichaamsbewustwording. Door deze achtergronden verschilt ademtherapie van ademregulatietechnieken, ademoefeningen, fysiotherapie bij longpathologie, en ook van het gebruik van de ademhaling om psychische veranderingen op te roepen, zoals in rebirthing en holotroop ademen.
3. Achtergronden van het ontstaan van de methode: Er zijn meerdere achtergronden:het begrip van het ‘beleefde lichaam’: Hoewel er geen directe verbinding ligt, is het werk van Elsa Gindler en andere Duitse benaderingen van het beleefde lichaam van groot belang. Te denken valt ook aan meer recente Duitse methoden zoals van Glaser (waar de haptonomie uit voortkomt), Middendorf en de Engelstalige leerlingen, zoals Charlotte Selver (sensory awareness). Het werk van Alexander en Feldenkrais is eveneens nauw verwant, evenals de visie zoals uiteengezet in het tijdschrift ‘Somatics’, opgericht door Thomas Hanna. In deze benaderingen staat het niet direct, wilsmatig sturen van het ademen centraal.het werk van zangpedagogen zoals Meijer en Balfoort, die de zuigademhaling hebben geïntroduceerd en vele daaraan gekoppelde oefeningen. Dit vond onder meer toepassing in de Doetinchemse stottermethode. Hier staat het 'voelend' oefenen centraal. de ontdekking van de rol van de wervelkolom: op basis van deze twee al genoemde achtergronden heeft dr. J.J. van Dixhoorn een verdere ontwikkeling doorgemaakt, waarbij het gebruik van biofeedback van belang was en de ontdekking van de rol van de wervelkolom. Geïnspireerd door Feldenkrais en CranioSacraal therapie heeft hij een model ontwikkeld voor de samenhang van ademen en de beweging in de wervelkolom, waardoor het effect van instructies en handgrepen objectiveerbaar kunnen worden. De beweging en het skelet zijn een goed feedback-middel voor begeleider en patiënt. wetenschappelijk onderzoek: genoemd kunnen worden de dissertatie van J. J. van Dixhoorn naar het effect van adem- en ontspanningstherapie bij hartpatiënten en zijn betrokkenheid bij respiratoire psychofysiologie via de ISARP (International Society for the Advancement of Respiratory Psychophysiology).. Ander onderzoek betreft hyperventilatie-, long- en pijnpatiënten. De wetenschappelijke kant is van groot belang voor het inzicht in de functies en diversiteit van het ademen.de concepten ‘interne zelfregulatie’ en ‘gewone overspanning’ zoals in detail beschreven in een handboek van van Dixhoorn, dat de basis is geworden voor een driejarige opleiding in adem- en ontspanningstherapie. De ademhaling speelt een rol als indicator en regulator die samen de interne zelfregulatie uitmaken. Een functionele ademhaling is zowel bron van interne feedback over je toestand als een middel om de spanningstoestand te beïnvloeden. De mate van interne zelfregulatie is omgekeerd evenredig met gewone overspanning. Een hoge, storende overspanning houdt in dat de normale zelfregulerende processen tekortschieten en de ademhaling dysfunctioneel is. Dit kan een oorzaak van klachten zijn, met of zonder medische diagnose. Herstel van de interne zelfregulatie en afname van de overspanning door adem- en ontspanningstherapie heeft dan een gunstig effect op de klachten.4. Feitelijke beschrijving van de methode Van Dixhoorn : Ademtherapie volgens deze methode hanteert een reeks van nauwkeurig omschreven methodes om de spanning te beïnvloeden en onderscheidt een aantal verschillende processen, die tezamen de interne zelfregulatie van spanning inhouden. De methodes bestaan uit elementen, zoals aandacht, ademhaling, beweging, aanraking, feedback, bespreken van ervaring en huiswerk. De verandering die hiermee teweeggebracht kan worden is niet van tevoren gegeven en wordt door de behandelaar open gelaten. De behandelaar observeert en vraagt de patiënt naar zijn bevindingen, totdat een duidelijke verandering is ontstaan, die te interpreteren is als een bepaald proces. De processen zijn onderverdeeld in enkele categorieën en zo goed mogelijk geoperationaliseerd. Het zijn: 1) spanningsreductie, in rust en in beweging (afname van ergotrope instelling), 2) herstelprocessen (toename van trofotrope instelling), 3) aandachtsverschuiving (van actief gefocussed naar passief, open en dwalend), 4) lichaamsbewustwording (toename van proprioceptieve informatie, plus een toename van belastbaarheid), 5) functioneel bewegen (betere afstemming van beweging op skeletstructuur), 6) functioneel ademen (herstel van indicator en regulator rol) 7) cognitieve herstructurering (herzien van irreële gedachten over spanning en ontspanning). In de optimale gezondheidstoestand treden deze processen vanzelf op en versterken ze elkaar, waardoor het individu zich herstelt van ingrijpende gebeurtenissen. Wanneer bij iemand met klachten een of meer van deze processen optreden in respons op adem- en ontspanningstherapie dan is dat een 'ingang' waardoor de interne zelfregulatie toeneemt en de overspanning afneemt. Indien dit op zinvolle wijze samenhangt met de aard van de klachten of het probleem dan is er een reden om de therapie voort te zetten. De behandelaar beschikt over een zodanig ruim repertoire aan mogelijkheden, dat in principe voor iedereen een verandering mogelijk is. Wanneer het moeilijk is een ingang te vinden dan zal daar een reden voor zijn. Die is meestal gelegen in specifieke belemmerende factoren. Wanneer deze laatste overheersen dan kan dit reden zijn tot advies voor een andere aanpak, al of niet in combinatie met adem- en ontspanningstherapie. Het zoeken van een 'ingang' vindt in eerste instantie plaats tijdens een 'proefbehandeling' van 3 - 4 bijeenkomsten, van circa 50 minuten. De 4e keer wordt met de patiënt geëvalueerd of er een verandering is opgetreden en welke klachten hierop reageren. Op grond hiervan plus de motivatie van de patiënt wordt besloten tot al of niet voortzetten van de therapie. Een aanzienlijk deel van de patiënten blijkt overigens in de eerste vier keer een zodanig effect te hebben ondervonden dat zij door de toename in interne zelfregulatie het besef en gevoel hebben gekregen zichzelf te kunnen helpen.
5. Toepassingsgebied De indicatiestelling verloopt het beste via een proefbehandeling om te onderzoeken of gewone overspanning en een tekort aan interne zelfregulatie een rol spelen. Dit is bij veel problemen het geval. De belangrijkste contra-indicatie is dat er voor een bepaald probleem een effectieve en betrouwbare behandeling bestaat. In alle overige gevallen en vooral als klachten chronisch worden en niet spontaan herstellen kan adem- en ontspanningstherapie zinvol zijn Ook bij mensen met een hart- of longziekte kan deze therapie van nut zijn.
Veel voorkomende indicaties zijn: Angst- en spanningsklachten, hyperventilatieklachten, hartkloppingen. Functionele dyspnoe, met en zonder organische stoornis (hart- of longlijden)Ziekteverzuim vanwege psychische klachten, chronische vermoeidheid, burn-out, negatieve stemming, slaapproblemenPijn en stijfheid in rug, nek., hoofd en bekken, scoliose, verbetering van rompbalans, valpreventie. Herstel van organische aandoening, post-operatief, pre- en post natale zorg.Functionele stemklachten (dysfonie), hoestenPost-whiplash klachten, RSI, chronische pijnNegatieve lichaamsbeleving, omgaan met lichamelijke stoornissen. Verwerkingsproblemen.
6. Vereisten voor artsen ABNG
Kennisniveau A: Inzicht in begrip van interne zelfregulatie, gewone overspanning en de processen die daarvan deel uitmaken; Inzicht in kenmerken van een functionele ademhaling en de manieren om dat te bevorderenKennis hebben opgedaan van enkele casus, een demonstratie van een behandeling hebben bijgewoond en enkele instructies hebben ondergaan Toepassingseisen: niveau 1 Voor de toepassing is een gespecialiseerde aanvullende opleiding nodig
Literatuur: J.J. van Dixhoorn, Ontspanningsinstructie, Elsevier, Maarssen, 1998 Bram Balfoort, Jan van Dixhoorn, Ademen wij vanzelf, Bosch en Keuning, Baarn, 1979 J.J. van Dixhoorn, Relaxatie en Ademtherapie, in: Handboek Gezond werken, red. J Winnubst, F. Schuur, H Dam; Elsevier, 1999
12.Fytotherapie. 1. NAAM : FYTOTHERAPIE
2. KORTE UITLEG / VERDUIDELIJKING VAN HET BEGRIP Het gebruik maken van planten in hun gehele of gedeeltelijke verschijningsvorm om mens en dier in een betere gezondheidstoestand te brengen en ziekten te bestrijden.
3. HISTORIE Aanvankelijk door ervaring en later ook met wetenschappelijk onderzoek heeft de mensheid ontdekt dat men sneller en met betere resultaten kan genezen door gebruik te maken van de planten die de mens omringen. Hetzij door uitwendige toepassing, hetzij door inwendige toepassing. Ook heeft men ontdekt dat planten ook ziekten kunnen veroorzaken door een giftige werking. In de 20 ste eeuw heeft men vele inhoudstoffen ontdekt, van waaruit je de werkzaamheid kunt verklaren, al wordt de werking van de planten(delen) niet alleen verklaard uit de werking van de verschillende inhoudstoffen.
4. FEITELIJKE BESCHRIJVING VAN DE METHODE Men maakt gebruik van de gehele plant, dan wel de wortel, de stengel, de bladeren, de bloemen, de vruchten of de zaden. Ook kan men meerdere planten(delen) samen gebruiken. De planten(delen) kunnen worden toegediend in hun onbewerkte vorm. Veelal worden de planten(delen) ook verwerkt tot poeders, tabletten, dragées, druppels, zalven en thee. Voor de verwerking van vruchten en zaden wordt gebruik gemaakt van hakken, pletten en vermalen. Verder gebruikt men de volgende verwerkingen van de planten(delen): Decocta (afkooksels), macerationes (maceraties), infusa (infusen), tincturae (tincturen), extracta (extracten; in vloeibare, ingedikte en gedroogde vorm) en succi (perssappen), sirupi (stropen) en pulpae (vruchtenmoes), deze laatste 3 als verwerkingen van de verse planten(delen). De middelen worden in-en uitwendig toegepast gedurende een zekere tijd, op basis van het wetenschappelijk onderzoek, de collectieve ervaring die men in het verleden met de planten(delen) heeft opgedaan en op basis van de individuele ervaring van de patiënt tijdens het gebruik zelf.
5. TOEPASSINGSGEBIED / INDICATIES / CONTRA- INDICATIES De planten(delen) worden met name ingezet bij functionele stoornissen, maar ook ter ondersteuning bij traumata, ontstekingen, circulatiestoornissen, ruimte innemende processen, degeneratieve processen, deficiënties, intoxicaties. Contraïndicaties zijn dreigende beschadiging met voorbijgaan aan de moderne methoden van de geneeskunde, verder te langdurig gebruik zonder onderbreking en de contraïndicaties die van elk van de planten(delen) bekend zijn, zoals bv. het gebruik van een aantal planten(delen) tijdens de zwangerschap. Verder de contraïndicaties die specifiek zijn voor het individu, zoals bv. bij een allergie voor de planten(delen).
6. en 7. GEWENSTE NIVEAU VAN KENNIS EN VAARDIGHEID Kennis en inzichten zijn van belang met betrekking tot: de belangrijkste begrippen uit de fytotherapie (3B). de historische achtergrond van de fytotherapie (3B). de huidige wetenschappelijke ontwikkelingen (2A). de instanties die zich bezig houden met kwaliteitsnormen (2A), de instanties die zich bezighouden met de ontwikkeling en productie van preparaten (2A). de media ter verspreiding van kennis (2A). het hanteren van door de vereniging genoemde fytoboeken (3B). de werking en bijwerking van de volgende inhoudstoffen: looistoffen, saponinen, antraglycosiden, hartglycosiden, slijmstoffen, zetmeel, bitterstoffen, etherische oliën, vette oliën, alkaloïden, cumarinen, flavonoïden, chlorofyl (2A). de belangrijkste botanische kenmerken, (drainage)werking, bijwerking, indicaties, contraïndicaties en toepassingswijzen van de volgende 30 planten(delen) (2C): Aesculus hippocastanum, Aloë vera, Avena sativa, Calendula officinalis, Capsella bursae pastoris, Carduus Marianus, Cassia angustifolia, Chelidonium majus, Crataegus oxyacantha, Echinacea angustifolia, Equisetum arvensis, Euphrasia officinalis, Ginkgo Biloba, Hypericum perforatum, Matricaria chamomilla, Melissa officinalis, Panax ginseng, Passiflora incarnata, Potentilla tormentilla, Ribes nigrum (gemmo),Rhamnus frangula, Sabal serrulata, Salvia officinalis, Sambucus nigra, Solidago virga aurea, Tussilago farfara, Thymus vulgaris Taraxacum officinalis, Urtica urens, Valeriana officinalis, Viscum album. Literatuur: Principles and Practice of Phytotherapy van Mills en Bone (ISBN 0443060169)
Facultatief: Leitfaden Phytotherapie van Schilder (ISBN 3-437-55340-2) Phytotherapie van Wagner en Wiesenauer (ISBN 3-437-00775-0) Herbal Medicine van Weiss en Fintelmann (ISBN 3-13-126332-6)
13.Onderzoeksmethodologie. NAAM: Onderzoeksmethodologie als instrument voor de arts voor natuurgeneeskunde ABNG-2000.
KORTE UITLEG: Met onderzoeksmethodologie binnen de geneeskunde wordt gemeenzaam bedoeld de kennis van leer, middelen en werkwijze, die dienen om te komen tot een wetenschappelijke onderbouwing van de geneeskunde. Evidence Based Medicine ( EBM ) is hierin een recent ontwikkelde, en door een groot deel van de reguliere collegae geaccepteerde, geneeskundige attitude en handelwijze. Kennisneming van de methoden van onderzoek, en ervaring met de mogelijkheden en onmogelijkheden van deze methoden, dienen de arts ABNG 2000 als instrument voor communicatie met collegae, voor een kritische professionele ontplooiing en voor de dagelijkse praktijkuitoefening. Tevens wordt kennis gemaakt met moderne wetenschappelijke inzichten, die mogelijk een onderbouwing kunnen vormen voor het geneeskundig handelen van de arts ABNG 2000.
HISTORIE: Elk geneeskundig (be)schouwen en (be)handelen vindt zijn fundament tegen de achtergrond van het heersende cultuurparadigma. Het paradigma van de moderne reguliere westerse geneeskunde is ontstaan als een reaktie op het middeleeuwse religieus-magische wereldbeeld, waarbij tijdens de Verlichting het verlangen naar een geloofsvrije / waardevrije waarheidsvinding ontstond. Het huidige, Cartesiaanse, paradigma behelst een analyserende, objectiverende en rationaliserende visie op de werkelijkheid. Met name door de verworvenheden uit de technologische toepassingen van dit paradigma heeft het in een breed veld vrijwel absolute erkenning gekregen. Echter, zowel vanuit de “zachte” hoek ( wetenschapsfilosofie, wetenschapssociologie en parapsychologie), als vanuit de “harde” disciplines ( fysica, quantummechanica), worden wetenschap- pelijke ontdekkingen gedaan die de absoluutheid van een “alleenrechtsgeldigheid” van de moderne geneeskundige wetenschap ter discussie stellen. De arts ABNG 2000 heeft tijdens de universitaire opleiding tot arts, kennis en vaardigheid opgedaan m.b.t. de indrukwekkende verworvenheden op het gebied van kennis en uitoefening van de westerse geneeskunde. Deze vaardigheid en kennis blijven een basis bij de uitoefening van de natuurgeneeskunde. Het volgen van de vorderingen in het reguliere veld zijn daarom niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk.
ONDERDELEN, KENNISNIVEAU’S, TOEPASSING: Bij elke individuele patiënt wordt afgewogen in welke mate de toepassing van de kennis van de volgende onderdelen m.b.t. de (natuur) geneeskundige diagnose en behandeling noodzakelijk / mogelijk / relevant / gewenst is.moderne wetenschapsfilosofie ( Popper, Kuhn, Lakatos, Latour) Niveau A.het scepticisme als attitude. Niveau A. epidemiologische basiskennis ( incidentie, prevalentie, sensitiviteit, specificiteit, relatief risico, et.) Niveau B. patiënt- gebonden onderzoek ( gerandomiseerd gecontroleerde trials, placebo-effect, context- effect, bias-confounders, etc.) Niveau B. - beoordeling kwaliteit wetenschappelijk onderzoek. Niveau B. - werken met medische data-bases, b.v. MEDLINE Niveau B. meta- analyses. Niveau A.beperkingen van de huidige wetenschappelijke benaderingen. Niveau A.toepassingen in de dagelijkse (natuur) geneeskundige praktijk. Niveau B.nieuwe inzichten als mogelijke onderbouwing van de natuurgeneeskunde (o.a. Popp) Niveau B.
14. VAN BASISARTS NAAR ZELFSTANDIG ARTS Bij het schrijven van de eindtermen voor de opleiding tot arts ABNG 2000 is de universitaire opleiding tot arts als uitgangspunt genomen. Dit wil zeggen dat de eindtermen van de artsenopleiding, zoals vastgelegd in het Raamplan 1994, de begintermen vormen van de opleiding tot arts ABNG 2000. Enkele hoofdstukken uit het Raamplan 1994 behoeven nog enige toelichting:
Medische en wetenschappelijke aspecten Op grond van de algemene eindtermen van het Raamplan, waarin problemen genomen worden als uitgangspunt voor het onderwijs, en de discipline gebonden eindtermen, kan geconcludeerd worden dat een basisarts over voldoende regulier – medische en wetenschappelijke kennis en vaardigheden beschikt. ( zie de hoofdstukken 7.2, 7.3 en 8 uit het Raamplan 1994 ).
Persoonlijke aspecten In de opleiding tot ABNG arts vindt een verdieping plaats op het punt van het medisch handelen, alsmede op het punt van het werken in teamverband. ( zie het hoofdstuk 7.4.2 uit het Raamplan 1994 ).
Aspecten in relatie tot maatschappij en gezondheidszorgsysteem Aangezien de cursisten van de ABNG opleiding in meerderheid reeds een zelfstandige praktijk uit- oefenen, voorziet de opleiding waar nodig in een persoonlijke begeleiding op de volgende punten: Uit hoofdstuk 7.5.1. uit het Raamplan 1994 de punten:relatie gezondheid, ziekte en arbeidde werkwijze, taken, deskundigheden en bevoegdheden van andere beroepsbeoefenaren enhulpverlenende instanties in de gezondheidszorg.beroepsorganisaties en intercollegiale verhoudingen.maatschappelijke invloeden op de gezondheidszorgde verschillende patiëntenorganisaties en zelfhulpgroepen en hun plaats in de maatschappijUit hoofdstuk 7.5.2. uit het Raamplan 1994 het onderwerp:het verantwoorden en duiden van eigen ethische standpuntenUit hoofdstuk 7.5.3. uit het Raamplan 1994 de onderwerpen:beroepsgeheiminformatie en besluitvorminginformatiesystemen, dossiervorming, inzagerechtde eigen medische bevoegdheden en hoe deze zich verhouden tot de bevoegdheden van andere hulpverleners.medische aansprakelijkheidUit hoofdstuk 7.5.4. uit het Raamplan 1994 de onderwerpen:ziektekosten- en sociaalverzekeringsstelselhonoreringssystemenfinancieringssystemenhet opzetten en onderhouden van een praktijk Om het medisch beroep op verantwoorde wijze te kunnen uitoefenen, is bij- en nascholing onmisbaar. Hoewel er op het gebied van de regulier medische en wetenschappelijke kennis en vaardigheden in de opleiding tot ABNG arts geen aanvulling op het Raamplan 1994 nodig is, wordt in de eisen aan het bij- en nascholingsprogramma wel degelijk aandacht besteed aan regulier medische en wetenschap- pelijke onderwerpen.
|
Beroepsprofiel
|
|
Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke G
|
September 2002
Inhoudsopgave
I. Inleiding AAG
II. Inleiding ABNG-2000 Ontwikkeling, validering en wie er bij betrokken zijn Biologische en Natuurlijke Geneeskunde Positie van de ANBG-2000 arts in het medische veld Algemene principes Basisprincipes Methoden Vakgroepen
III. Beroepsprofiel ABNG-2000 1. Definitie van de Natuurgeneeskunde 2. Geschiedenis van de Natuurgeneeskunde 3. Plaats in de gezondheidszorg 4. Doelgroep, indicaties/contra-indicaties/grenzen van de behandeling 5. Kennis en vaardigheden 6. Verlenen van zorg - Differentieel indicatie - Diagnostiek - Consulten en behandeling - Hoofdgroepen van behandeling - Verslaglegging 7. Voorlichting 8. Samenwerken - Rapportage - Verwijzen - Bereikbaarheid 9. Gegevensbeheer 10. Praktijkvoering 11. Onderwijs en begeleiding 12. Wetenschappelijk onderzoek 13. Evalueren van het beroepsmatig handelen 14. Ontwikkelen van de individuele kennis en kunde 15. Ontwikkelen van het eigen beroep 16. Trends en ontwikkelingen 17. Gedragscode 18. Klacht- en tuchtrecht 19. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
I. Inleiding Artsenfederatie Alternatieve / Additieve Geneeskunde AAG
In 1995 werd door de gezamenlijke medische faculteiten, de KNMG en afgevaardigden van het ministerie van WVC en van de landelijke organisatie van co-assistenten, het Raamplan 19941 vastgesteld en aan de ministers van O&W en WVC aangeboden. Het Raamplan 1994 is een beschrijving van het beroepsprofiel en de eindtermen van de basisartsopleiding. Het Raamplan beschrijft in de eindtermen de eisen waaraan een afgestudeerd basisarts dient te voldoen en is als zodanig de handleiding voor de onderwerpen welke in de opleiding behandeld en bij het examen gekend en beheerst dienen te worden. In de navolgende jaren vanaf 1995 zijn een aantal reguliere specialismen begonnen hun specialisme op dezelfde manier te beschrijven. Op deze wijze wordt de geneeskunde in Nederland in kaart gebracht en gesystematiseerd. In 1997 werd een algemeen hoofdstuk hieruit als uitvoerende maatregel toegevoegd aan de wet BIG. Begin 1998 zijn de lid verenigingen van de AAG2 met een startsubsidie van het OKAB-project van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO gezamenlijk begonnen op gelijke wijze hun vakgebieden in kaart te brengen. Gaandeweg werden grote overeenkomsten en grote verschillen zichtbaar, hetgeen gaat resulteren in 6 uitgaven van beroepsprofielen en eindtermen met een gelijke opbouw met vakspecifieke invulling. De verschillen in complexiteit en omvang van de vakgebieden veroorzaakte verschillen in voortgang. De 6 delen zullen dan ook niet tegelijkertijd uitkomen maar in de komende 1 à 2 jaar achter elkaar verschijnen. De beschrijvingen moeten niet gezien worden als een weergave van de huidige situatie. Zij zijn ideaalbeschrijvingen welke als richtlijn kunnen dienen voor een systematische ontwikkeling van de toekomstig gewenste opleidingen, los van (huidige) financiële en personele beperkingen. De beschrijvingen kunnen in de toekomst tevens gezien worden als een maatschappelijke maatstaf van wat goede additieve/alternatieve geneeskunde is, en zijn dan als zodanig geschikt als maatschappelijke richtlijn voor onder andere tuchtrecht, inspectie, BIG-registratie en nascholing. Ter oriëntatie op het kader waarbinnen deze beroepsprofielen en eindtermen geschreven zijn treft u in de bijlagen enkele hoofdsstukken uit het Raamplan 1994 aan. Het raamplan 1994 kan tevens gezien worden als vertrekpunt voor de algemeen medische nascholing. Wat betreft het overeenkomstige algemene gedeelte werkten de 6 werkgroepen samen. De specifieke delen zijn geschreven door 6 afzonderlijke commissies. De commissies werden in de systematiek van het Raamplan 1994 ingewerkt en begeleid door dhr. J. Doets, arts. Dhr. Doets was namens de KNMG deelnemer in de commissie die het Raamplan 1994 schreef. De AAG dankt prof.dr. J.C.M. Metz voor zijn bereidwillige instemming met overname van delen van het boek Raamplan 1994, zonder welke het algemene kader van het werk van de AAG-lidverenigingen niet makkelijk weer te geven zou zijn geweest.
M.P.L Jansen artsconsultant, projectleider September 2001
Inleiding Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde ABNG-2000
Ontwikkeling, validering en wie er bij betrokken zijn De eerste opzet van het beroepsprofiel werd op instigatie van de AAG geschreven door twee leden van het bestuur van de ABNG (R.J. Kleipool en E.K. Lugard), in nauw overleg met een derde bestuurslid (B. Thonon) en een voormalig bestuurslid (R. Kipp). Dit concept werd in november 1998 aan de leden van de ABNG toegestuurd, met het verzoek om commentaar te leveren. Op de Algemene Ledenvergadering van 23 november 1998 is het concept besproken. Relevante opmerkingen werden in dit concept verwerkt, met name waar het de begrenzingen van het vak van natuurarts betreft alsmede de inbreng die gegeven werd op het onderwerp ‘geschiedenis’ van de natuurgeneeskunde. Voor de algemene ledenvergadering van september 2000 is het concept wederom naar de leden verzonden, met het verzoek wezenlijke correcties op schrift in te dienen. Op die vergadering is door de leden aan het bestuur mandaat verleend om het resultaat van de discussie te verwerken tot de definitieve versie van het beroepsprofiel. Inmiddels was de ABNG de samenwerkingsbesprekingen met de ANTTT (Artsenvereniging voor Niet Toxische Tumortherapie) gestart. In het voorjaar 2002 is dit uitgemond in het transformeren van de bestaande vereniging Artsenvereniging voor Bevordering van de Natuurgeneeskunde ABNG. De nieuwe naam van de vereniging is veranderd in ABNG-2000, waarbij de initialen dezelfde zijn gebleven, doch de inhoud is veranderd: Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde. Daaruitvolgend kwam de noodzaak naar voren om een aantal belangrijke basisstukken, zoals het beroepsprofiel aan de nieuwe verenigingsvorm aan te passen. Aan deze aanpassing hebben twee leden van het bestuur (R.J. Kleipool en M. Oussoren) gewerkt. De planning is om per 1 januari 2003 de nieuwe verenigingsvorm definitief notarieel te bevestigen. Aangezien het gezamenlijke deel van het beroepsprofiel met de andere AAG-leden inmiddels ingekort was, zijn een flink aantal artikelen, die aanvankelijk in het gezamenlijke deel waren opgenomen, nu integraal in de tekst van de ABNG-2000 opgenomen. A. Kruyswijk en E. Lugard hebben daar het nodige werk voor geleverd.
Biologische en Natuurlijke Geneeskunde Grote drijfveer achter het ontwikkelingsproces van de ABNG van de laatste jaren is geweest het professionaliseren van het werk van de leden en het verduidelijken van de herkenbaarheid van het gezicht van de natuurarts naar de samenleving toe. Bij het zoeken naar een nieuwe naam zijn vele mogelijke alternatieven de revue gepasseerd. Uiteindelijk is de term Biologisch het geworden, ondanks het feit dat er ook een onduidelijke kant aan deze term zit. De nieuwe vereniging heeft zich ten doel gesteld om de term biologische geneeskunde in de komende jaren inhoud, betekenis en bekendheid te gaan geven. Biologisch is op te vatten als de wetenschappelijke duiding van wat natuurlijk is. Natuurlijke geneeskunde is dat deel van de geneeskunde dat ook bekend staat als traditionele geneeskunde, de geneeskunde waaruit alle geneeswijzen zijn voortgekomen. Een andere aanduiding is geneeskunde van de alledaagse levensverrichtingen, verwijzend naar al die zaken waar het gezonde verstand aangeeft wat heilzaam is of niet. Hiermee hangt het gebruik van natuurlijke middelen en methodes samen, waarbij als voorbeeld het juiste gebruik van de elementen aarde, water, licht/vuur en lucht, voeding, ademhaling en vertering, etc. kan dienen. In handen van de natuurarts krijgen deze elementen therapeutische betekenis in de zin van versterking van de belangrijke levensfuncties van de mens (psyche, spijsvertering, immuunsysteem, stofwisseling). Biologische geneeskunde is in de oorspronkelijke betekenis van het woord op te vatten als de geneeskunde die zich baseert op kennis uit de biologie, kennis van het leven zelf. Getracht wordt om de samenhang met biochemie, biofysica en fysiologie te gebruiken en te onderzoeken. Ze tilt deze inzichten en kennis uit de natuurgeneeskunde op tot een hoger niveau. Hier wordt de samenhang gevonden en worden nuanceringen aangebracht. Met moderne, geavanceerde methodes kan de natuurgeneeskunde wetenschappelijk en professioneel worden onderzocht. Hierbij dient naast de biofysica, biochemie en fysiologie ook de kennis van het basis bioregulatie systeem als onderzoekskader. De biologische en natuurlijke geneeskunde is een benaderingswijze van geneeskunde die een fundamenteel vertrouwen stelt in het zelfgenezende vermogen van het menselijke lichaam. Zij houdt zich derhalve niet primair bezig met het bestrijden van ziekte en het behandelen van symptomen, omdat de ziekteverschijnselen een gevolg kunnen zijn van dit genezingsproces. Zij richt zich vooral op het bevorderen van de zelfgenezende processen bij patiënten en tracht deze te bestuderen.
Positie van de ABNG-2000 arts in het medisch veld De ABNG-2000 arts erkent zijn bijzondere positie in het medisch veld. Hij weet zich namelijk enerzijds volledig gekwalificeerd als (basis)arts, terwijl hij ook een groot besef van alternatieve denkmethodes heeft. In het onderliggende beroepsprofiel komen dan ook beide kanten van medisch handelen tot volle uitdrukking. Dat de ABNG-2000 arts moet werken vanuit een totaalvisie die beide kanten overziet en integreert, is de grote, toegevoegde waarde van de beroepsgroep van natuurartsen, alhoewel dit zowel de vereniging alsook de individuele arts af en toe in een spagaatstand brengt. Denken veel mensen in termen van regulier versus alternatief, voor de ABNG-2000 arts is er sprake van één geneeskunde, met verschillende niveaus van therapeutisch handelen (zie voor nadere informatie het schema van de Vijf universele behandelniveuas). Algemene principesDe ABNG-2000 arts is primair arts en oefent zijn beroep uit op basis van de wet BIG, hetgeen inhoudt dat hij verantwoorde zorg geeft conform zijn opleiding. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan zorg van goed niveau, welke in ieder geval doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoeften van de patiënt.De ABNG-2000 arts verleent zorg conform zijn opleiding tot arts, hetgeen betekent dat hij een standaard anamnese afneemt en standaard lichamelijk onderzoek verricht. Hij werkt volgens de KNMG gedragsregels. Hij onderneemt actie, behandelt of verwijst bij het constateren van alarmsymptomen, acute (infectie)ziekten of levensbedreigende ziektebeelden. Basisprincipes Basisprincipes voor de ABNG-2000 arts zijn:‘Primum nil Nocere’. Voorop staat dit door Hippokrates verwoorde principe dat door de therapie geen schade mag worden veroorzaakt.Bevorderen van het zelfgenezend vermogen door de eigen natuurlijke genezingsprocessen in het lichaam te stimuleren en te activeren met natuurlijke, biologische, psychische en energetische methodes.Veel aandacht voor voeding, reiniging en leefregels en speciale aandacht voor mentale instelling, intuïtie en spiritualiteit.Gebruik maken van al die methodes en technieken uit de reguliere en complementaire geneeskunde die ‘natuurlijk’ van aard zijn en een gebleken waarde hebben in de diagnostiek en het zelfherstel van ziekten.ABNG-2000 staat garant voor de kwaliteit van het medisch handelen door de specifieke ABNG-2000 opleiding, verplichte nascholing (ook algemeen medisch), tuchtregeling, toetsing en visitatie (is in voorbereiding).De uitwerking van deze basisprincipes staan in het onderliggend Beroepsprofiel en in de Omkadering van de natuurgeneeskunde beschreven. Gedetailleerde uitwerkingen kunnen gevonden worden in het Huishoudelijk Reglement ABNG-2000.
Methodes Zoals uit de basisprincipes blijkt, maakt de biologische en natuurlijke geneeskunde gebruik van een veelheid van methoden, op voorwaarden dat die bijdagen tot het natuurlijke herstel van ziekten cq. het bevorderen van de gezondheid. Het spreekt van zelf dat daarbij uitsluitend methoden dienen te worden toegepast die aantoonbaar niet-schadelijk zijn en die effectief zijn. Gezien de voortdurend wijzigende situatie op dit gebied door wetenschappelijke en professionele vooruitgang, hanteert de ABNG-2000 een interne methodiek voor het screenen van de door leden toegepaste methoden. Zij onderscheidt daartoe:Basismethoden die door alle ABNG-2000 artsen worden aanvaard en toegepastAanvullende methoden die wel in de ABNG-2000 door de ledenvergadering zijn aanvaard, maar door slechts een deel van de leden worden toegepastNieuwe methoden die door een klein gedeelte van de leden worden toegepast en een experimenteel karakter hebben. In deze categorie gaat het om een tijdelijke toepassing onder gecontroleerde condities die een evaluatie en definitieve besluitvorming mogelijk maakt. De ingestelde methodecommissie zal de uitwerking van dit classificeringssysteem bevorderen, toetsen en bewaken.
Vakgroepen Met de inhoudelijke taken van de vereniging zullen in te stellen vakgroepen worden belast. In eerste instantie zal sprake zijn van twee vakgroepen, te weten de vakgroep natuurgeneeskunde en de vakgroep niet toxische tumortherapie. Een aantal andere deelgebieden van het therapeutisch arsenaal komen in aanmerking om als vakgroep ingesteld te gaan worden (o.a. Mayr, Colonhydrotherapie en Ayurveda). Deze instelling van vakgroepen houdt rekening met de mogelijke aansluiting van sympathiserende artsenverenigingen waarvan de artsen in een grotere samenhang hun beroep willen beoefenen. Voor de aanmelding van nieuwe lidorganisaties is een aanmeldingsprocedure ontwikkeld.
R.J. Kleipool, M. Oussoren, Bestuursleden ABNG Amsterdam, september 2002 III. Beroepsprofiel ABNG-2000
Definitie van de natuurgeneeskundeVolgens de statuten van ABNG-2000 wordt onder natuurgeneeskunde verstaan de geneeskunde die zich in haar benadering van ziekte richt op de gehele mens en niet primair op zieke organen en systemen. In haar denkmodel baseert zij zich in wezen op de mens in wisselwerking met zijn milieu. Vanuit dit standpunt beschouwt de natuurgeneeskunde steeds de gehele mens en diens zelfgenezend vermogen. Daarbij hanteert de natuurarts een eigen interpretatie van ziektesymptomen. Het therapeutisch arsenaal bestaat uit een breed scala van geneeswijzen en (natuurlijke) medicatie. Aan de gezonde mens heeft de natuurgeneeskunde iets belangrijks te bieden, namelijk een leefwijze die gezond houdt en preventief werkt. Onder gezond verstaat de natuurarts: “Het zo bewust mogelijk evenwichtig functioneren van het individu in wisselwerking met diens omgeving op lichamelijk, energetisch, geestelijk en emotioneel gebied, in overeenstemming met de natuurlijke (aangeboren) aanleg, waarbij het individu met de invloeden uit de omgeving adequaat kan omgaan. Natuurgeneeskunde is een vorm van geneeskunde die nastreeft dit dynamische evenwicht te herstellen en te behouden. De eigen verantwoordelijkheid van de patiënt wordt daarbij essentieel geacht.Voor het streven naar dit doel staan de natuurarts verschillende methoden ter beschikking. Hierin zijn te onderscheiden:adviezen die door de patiënt zelf zijn uit te voeren met betrekking tot dieet, uitscheiding, slapen, ontspanning, beweging, ademhaling en andere natuurlijke verrichtingen.behandelingen en therapieën die door de arts worden voorgeschreven en uitgevoerd.Geschiedenis van de natuurgeneeskundeHet moment waarop geneeskunde voor het eerst bewust werd toegepast is niet te bepalen. Door hun waarnemingen van de omringende natuur zullen onze verre voorouders zich natuurgeneeskundige inzichten hebben eigen gemaakt. Voor zover wij weten heeft de (natuur)geneeskunde tot aan het ontstaan van de hoog ontwikkelde culturen rond de Euphraat en de Tigris, de Nijl en de Indiase en Chinese grote rivierstromingen (Indus, Ganges, Jangtsekiang) vooral een animistisch voorstellingspatroon gehad. Hierbij was ziekte, maar ook gezondheid, van bovennatuurlijke oorsprong en sterk gekoppeld aan straf, zonde, taboes en bovennatuurlijke negatieve krachten (demonen). We praten dan over de periode van 3000- 2500 jaar voor Chr. Het is de periode waarin naast een duidelijk geformuleerde religie ook de wetenschap opkwam, die zich bezig hield met tijdwaarneming, met de ritmische veranderingen in de natuur en met de loop van de door de goden bestuurde hemellichamen. De Ayurveda van Caraka beslaat in die tijd het gehele terrein van de geneeskunde en is in wezen een natuurfilosofische geneeskunde. Het niveau hiervan staat op een zeer hoog peil. Men kende bijvoorbeeld de darmnaad, de neusplastiek en vele adviezen met betrekking tot ziekte en gezondheid die heden ten dage nog van kracht zijn. De westerse (natuur)geneeskunde is dus niet gestart met het denken van de Griekse geneesheren. Hun kennis en vaardigheden werden beïnvloed door de omringende volkeren en door overlevering via geschriften. Onder invloed van Pythagoras ontstond in de vijfde eeuw v. Chr. de periode waarin de artsen filosofen waren. Pythagoras stichtte een gemeenschap waarin men een leven van harmonie en gezondheid trachtte te leiden door het onderhouden van een vaste dagorde, godsdienstige bezinning en het volgen van een dieet. Pythagoras nam vier elementen aan: aarde, water, lucht en vuur, waaruit hij alles ontstaan dacht door aantrekkende en afstotende krachten. Hij ontwikkelde een ziekteleer die later door Hippokrates zou worden uitgewerkt. De Pythagoreeërs, zoals ze genoemd werden, handhaafden zich nog eeuwen als een gemeenschap. Met Hippokrates (460-377 v. Chr.) begon een geneeskunde waarin eigen waarneming en onderzoek tot ontwikkeling kwamen. Van hem stamt de zogenaamde humoraalpathologie. Nieuw in de Hippocratische geneeskunde zijn de uitgangspunten: Ziekte wordt veroorzaakt door vervuiling van de lichaamsvloeistoffen. Met diëtetische leefregels en individuele maatregelen kunnen genezingen worden bereikt. Na zijn dood bleven de Hippocratische principes honderden jaren van kracht. Een nieuwe impuls bracht Galenus (130-200), die met kop en schouders boven zijn voorgangers uitstak en die de geneeskunde ruim duizend jaar zou beheersen. Gezondheid (eukrasie) was in zijn visie de harmonische vermenging van vier hoofdsappen. Eukrasie was een evenwicht tussen vier verschillende componenten; ziekte (dyskrasie) was ook volgens hem een slechte menging van de vier sappen die tot ziekte en dood leidde. Om Galenus te begrijpen moeten we ons vooral realiseren dat hij heilig geloofde in de functie van de arts als degene die de zelfgenezende natuurkrachten moest ondersteunen en bevorderen. De grondprincipes van de moderne natuurgeneeskunde sluiten dus perfect aan bij Galenus’ opvatting in dit opzicht. Een voorname plaats in de ontwikkeling van de natuurgeneeskunde had ook Paracelsus (1493-1541). De vitale lichaamskracht, die volgens Paracelsus door de wil van God wordt geleid en bepaald, noemt hij de archeus. De arts moet bij ziekte deze archeus te hulp schieten door natuurkrachten en natuurproducten te gebruiken, die de zieke kunnen helpen. Rudolf Virchow (1820-1902) was een typische vertegenwoordiger van de negentiende eeuw. In zijn lange leven was hij baanbrekend werkzaam op vele gebieden van wetenschap: pathologie, anatomie, antropologie, etnologie, geschiedenis van de geneeskunde en openbare gezondheidszorg. De cel is voor Virchow hét uitgangspunt van alle levensverschijnselen en dient daarom ook in de pathologie als uitgangspunt van het ziekelijk gebeuren te worden gekozen. Virchow verwierp alle filosofie en teleologie, alsmede de humoraalpathologie. Virchow en zijn leerlingen gingen op den duur steeds éénzijdiger anatomisch denken. Zijn volgelingen dachten vooral lokalistisch en verloren meer en meer het oog voor het geheel van het organisme als geheel. Zij zochten de zetel der ziekte in de cel en verloren het zicht op de door Hippokrates geformuleerde constitutie en het zelfgenezingsvermogen. Louis Pasteur (1822-1895) bewees dat vrijwel overal kiemen aanwezig zijn en dat men die door sterilisatie kan doden, zodat rotting, gisting en infectie worden voorkomen. Intussen leefde in Frankrijk de man die de grondslagen zou leggen voor de moderne fysiologie: Claude Bernard (1813-1878). Naast vele interessante ontdekkingen, o.a. over de betekenis van de pancreas kwam hij tot de beroemde conclusie: “Le bacterie ce n’est rien; le terrain c’est tout”. Deze idee, alsmede zijn opvattingen omtrent fermentatie brachten hem in een scherp wetenschappelijk conflict met Pasteur. In zijn wetenschappelijk werk doet Bernard zich kennen als een geoefend wijsgerig denker. Een tegenbeweging ten opzichte van het negentiende-eeuwse, lokalistische denken werd ook gevormd door het optreden van Sebastian Kneipp (1821-1897), een geestelijke die zieken ging behandelen met zogenaamde waterkuren. Het resultaat van zijn koud-water-behandelingen schreef hij toe aan het prikkelen van het lichaam, waardoor het zichzelf geneest. In de twintigste eeuw kwam de geneeskunde, net zoals de gehele maatschappij, meer en meer in de greep van economische belangen. Met geneesmiddelfabricage kon via octrooien enorm veel geld verdiend worden. Voor de geneeskunde betekende dit dat er veel geld beschikbaar kwam voor geneesmiddelonderzoek. Niet octrooieerbare geneesmiddelen, bijvoorbeeld kruiden, kwamen daardoor op de achtergrond of werden nauwelijks industrieel ontwikkeld, bijvoorbeeld mineralen, vitaminen en orgaanpreparaten. Daarentegen zijn in de afgelopen eeuw ook geleidelijk aan niet-westerse paradigma’s hun invloed op de westerse cultuur gaan uitoefenen. In het begin van de vorige eeuw waren het in onze omgeving o.a. artsen als Bircher Benner (1867-1939) en Mayr (1875-1965), die opnieuw de aandacht vestigden op het organisme als geheel, een gezonde leefwijze en het zelfgenezingsvermogen van de mens. In Nederland richtten de arts Y. Hettema, Felix Ortt en prof. W.H.D. Tenhaeff (parapsycholoog) de Nederlandse vereniging voor natuurgeneeswijze op. Na de tweede Wereldoorlog hebben vooral de artsen R.A.B. Oosterhuis, H. van der Upwich en mevrouw T. Kaayk een voortrekkersrol gespeeld in de natuurgeneeskunde. Ten gevolge daarvan zien we omstreeks de zestiger jaren een sterke toename van het op een natuurfilosofische wijze benaderen van ziekte en gezondheid, in navolging van Bircher Benner en anderen. Een belangrijke rol hierbij spelen enkele Nederlandse uitgeverijen, zoals De Driehoek, Kluwer en later Ankh Hermes, die vele vertalingen van werken op niet-reguliere terreinen van de geneeskunde uitgaven. Ook de media gingen steeds meer aandacht besteden aan andere (“alternatieve”) mogelijkheden van geneeskunde. In 1978 werd onder voorzitterschap van L. Kunst, Arts te Gorinchem door een twintigtal artsen de Artsenvereniging tot Bevordering van de Natuurgeneeskunde (ABNG) opgericht. De vereniging telt momenteel 85 leden en neemt in ons land een belangrijke plaats in, naast de regulier werkende collega’s, de homeopathische artsen, de antroposofische artsen, de artsen voor neuraal- en regulatietherapie en de arts-acupuncturisten.
Plaats in de gezondszorgDe ABNG-2000 arts oefent zijn vak uit in het gebied van de individuele gezondheidszorg. Het werkgebied van de ABNG-2000 arts strekt zich inhoudelijk uit over het gebied van preventie, het gebied van gezondheidsbevorderende behandelingen alsook over het gebied van ziektebestrijdende methodieken. Patiënten kunnen zich zowel op eigen initiatief als op verwijzing aanmelden voor behandeling. Vooralsnog worden de additieve geneeswijzen slechts incidenteel intramuraal toegepast. Zowel huisarts, specialist als andere zorgverleners (te denken valt hierbij aan o.a. fysiotherapeut, psychotherapeut, verpleegkundige) kunnen een patiënt “verwijzen” naar een ABNG-2000 arts. De ABNG-2000 arts valt moeilijk te plaatsen in het gangbare schema van eerste en tweedelijns geneeskunde. Idealiter verzorgt de ABNG-2000 arts de eerste opvang en behandeling van patiënten. Door de huidige organisatie en financiering van de gezondheidszorg in Nederland komen patiënten vaak pas nadat zij door huisarts en/of specialist zijn uitbehandeld. Anderzijds verwijst de ABNG-2000 arts de patiënt zonodig naar huisarts, complementair werkend arts, specialist of therapeut. De ABNG-2000 arts kan zijn praktijk uitoefenen in een solopraktijk of in een groepspraktijk.
Doelgroep, indicaties/contra-indicaties, grenzen van de behandelingDe arts ABNG-2000 is in staat om vanuit een breed perspectief tot een advies te komen met betrekking tot de geschiktheid van een additieve of reguliere behandeling voor de betreffende patiënt. Gezien de doelstelling van de natuurgeneeskundige interventies (gezondheid herstellen en behouden) komen vele categorieën patiënten in aanmerking voor natuurgeneeskundige behandeling. Voor de indicaties voor een natuurgeneeskundige behandeling zijn er in beginsel geen beperkingen. In een aantal gevallen zal de natuurgeneeskundige behandeling de hoofdtherapie zijn, in andere gevallen zal deze alleen als complementaire therapie dienen. Als contra-indicaties kunnen die ziektebeelden worden genoemd waarbij andere behandelingen betere resultaten kunnen geven, bijvoorbeeld acute, levensbedreigende aandoeningen en ziektebeelden waarin chirurgisch of psychiatrisch ingrijpen noodzakelijk is. De grenzen van het geneeskundig handelen worden door de arts zelf getrokken. Hierbij baseert hij zich op zijn kennis en ervaring.
Kennis en vaardighedenDe ABNG-2000 arts is in staat tot medische besluitvorming en hanteert een adequate systematiek in zowel diagnose als therapie. De vereniging ABNG-2000 brengt de therapeutische methoden onder in drie categorieën:Basismethoden die door alle ABNG-2000 artsen worden aanvaard en toegepastAanvullende methoden die wel in de ABNG-2000 door de ledenvergadering zijn aanvaard, maar door slechts een deel van de leden worden toegepastNieuwe methoden die door een klein gedeelte van de leden worden toegepast en een experimenteel karakter hebbenDe bedoeling en het gebruik van deze methoden wordt uitgebreid toegelicht in het plan ‘Omkadering van de natuurgeneeskunde’. De ABNG-2000 arts bezit voldoende kennis en vaardigheden om op relevante gebieden zelfstandig -eventueel na overleg met een collega- diagnose te stellen en een behandeling voor te schrijven, dan wel door te verwijzen.
6. Verlenen van zorg 6.1. Differentieel indicatie De ABNG-2000 arts is in staat te differentiëren tussen indicaties voor natuurgeneeskundige en/of reguliere behandeling. De keuze voor behandeling wordt in nauw overleg met de patiënt gemaakt. 6.2. diagnostiek Naast de algemeen gebruikelijke manieren van diagnose stellen, maakt de natuurarts gebruik van het interpreteren van ziektesymptomen, die hij ziet als waarschuwingssignalen en als pogingen van het organisme om de ziekte / afwijking te overwinnen. Tijdens het eerste consult wordt een uitgebreide anamnese afgenomen. Vervolgens wordt relevant lichamelijk onderzoek gedaan. Daarnaast kunnen van eerder door de huisarts en/of specialist uitgevoerd onderzoek de gegevens worden opgevraagd en kan desgewenst nader onderzoek worden aangevraagd, zoals laboratoriumonderzoek en Röntgenonderzoek. 6.3. Consulten en behandeling Zowel in het eerste consult als in vervolgconsulten worden de bevindingen met de patiënt besproken. Er wordt een behandelplan opgesteld en dit wordt aan de patiënt voorgelegd, waarbij de mogelijkheden en beperkingen van de behandeling m.b.t. de hulpvraag worden toegelicht. Omdat met name de uitvoering van de basisadviezen door de patiënt zelf gedaan moet worden, is het van het grootste belang dat deze, door voldoende uitleg, hiertoe gemotiveerd raakt. Tijdens de consulten die volgen zal de arts steeds de resultaten van de behandeling met de patiënt bespreken en waar nodig de behandeling aanpassen. Indien nodig zal tijdens de vervolgconsulten relevant (lichamelijk) onderzoek plaatsvinden. De behandeling wordt beëindigd als de arts en/of de patiënt van mening zijn dat het gewenste resultaat is bereikt en/of indien verwacht wordt dat verdere behandeling geen meerwaarde zal hebben. De arts verwijst patiënten aan wie hij onvoldoende hulp kan bieden – na wederzijds overleg – zo mogelijk door naar een terzake kundige hulpverlener voor verdere gezondheidsbevorderende of ziektebestrijdende behandeling.
6.4. Hoofdgroepen van behandeling De behandeling door de natuurarts onderscheidt zich in de volgende hoofdgroepen: 6.4.1. Preventieve zorg De ABNG-2000 arts richt zich wat betreft preventie, de essentie van de gezondheidszorg, op het geven van individuele adviezen op het gebied van voeding en leefwijze die ten doel hebben een optimale gezondheid te bereiken, zowel op lichamelijk, energetisch, geestelijk als emotioneel gebied. Deze adviezen gaan uit van de individuele constitutie van de patiënt, diens leeftijd en conditie, en diens sociale omstandigheden. Tevens kan hij voorlichting en instructie geven in groepsverband, bij voorbeeld in de vorm van lezingen en vastenkuren. 6.4.2. Gezondheidsbevorderende behandelingen Basistherapieën: deze bestaan uit voedingsaanwijzingen, ademhalingsoefeningen, lucht-, licht- en waterbehandelingen, bewegings- en ontspanningsoefeningen, pakkingen en niet op de laatste plaats adviezen en aanwijzingen voor het dagelijks leven. Hulptherapieën: deze ondersteunen, wekken op of reguleren in beginsel de zelfgenezende reacties van het individu. Deze hulptherapieën kunnen velerlei zijn. De natuurgeneeskunde beschouwt tot haar specifieke gebied: de fytotherapie, colonhydrotherapie, microbiologische therapie, voedings- en vastentherapie. 6.4.3. De behandeling van ziekten en afwijkingen Indien in de situatie van de patiënt behandeling met gezondheidsbevorderende methodes niet toereikend is, kan gebruik worden gemaakt van suppletietherapieën maar alleen voor zolang dat nodig is. De suppletiebehandeling omvat het voorschrijven van geneesmiddelen en behandelmethoden die een aanwezig tekort aanvullen, zoals vitamines, mineralen en hormonen. Daarnaast is de ABNG-2000 arts in staat zogenaamde symptomatische therapieën te hanteren. Deze omvatten geneesmiddelen en behandelingen die in hun werking gericht zijn op het bestrijden van de ziektesymptomen, zoals antibiotica, pijnstillers en antihypertensiva. De natuurarts kan van deze middelen gebruik maken en/of voor voorschrijven verwijzen, indien de leefbaarheid van de patiënt dit vereist en alleen voor zolang dat nodig is. 6.5. Verslaglegging De ABNG-2000 arts legt de gegevens van het consult eenduidig interpreteerbaar, bondig en leesbaar vast, met het oog op de continuïteit van de zorg, toetsing en verdieping van de eigen kennis, alsmede ten behoeve van eventuele wetenschappelijke doeleinden. De verslaglegging voldoet aan de eisen die hiervoor in de reguliere geneeskunde gebruikelijk zijn. In plaats van schriftelijke verslaglegging kan dit ook gebeuren middels moderne technieken.
7. Voorlichting De ABNG-2000 arts is in staat voorlichting te geven aan de navolgende doelgroepen:zij die preventief advies vragen, patiënten en naasten.collegae en hulpverleners uit andere disciplines in de gezondheidszorg. De ABNG-2000 arts kan een bijdrage leveren aan publieksvoorlichting. Dit mag uitdrukkelijk geen persoonlijk wervend karakter hebben, waarbij tevens geen claim gelegd mag worden op de resultaten van behandeling.
8. Samenwerken De ABNG-2000 arts is bereid tot communicatie met collegae en andere hulpverleners.RapportageZodra een patiënt zich tot een ABNG-2000 arts heeft gewend, dan wordt de huisarts, en indien van toepassing een eventuele verwijzer van de patiënt, van de bevindingen en de behandeling op de hoogte gesteld, slechts indien patiënt met deze berichtgeving instemt. Ook als de continuïteit en de complexiteit van de behandeling dit vereisen, houdt de ABNG-2000 arts de huisarts cq. verwijzer op de hoogte van zijn bevindingen en de toestand van de patiënt. 8.2. Verwijzen Het verdient aanbeveling dat de patiënt op het eerste consult komt met medeweten van de huisarts. De ABNG-2000 arts doet de verwijzing van een patiënt naar een andere arts of hulpverlener vergezeld gaan van relevante inlichtingen en een duidelijke omschrijving van het doel van de verwijzing. De ABNG-2000 arts die tevens huisarts / specialist is, en een aanvullende opleiding in de natuurgeneeskunde heeft, kent zijn grenzen en verwijst zo nodig naar een gespecialiseerde collega.Bereikbaarheid en waarnemingDe ABNG-2000 arts is dagelijks bereikbaar en treft in verband met de continuïteit van de zorg maargelen voor gevallen wanneer hij niet aanwezig is. Dit kan middels goede instructie aan de patiënt en waarneming door een voldoende onderlegde collega. Indien de ABNG-2000 arts tevens huisarts is, dienen binnen de HAGRO goede afspraken gemaakt te worden over de aanpak van behandeling van de patiënt tijdens de waarneming.
9. Gegevensbeheer De ABNG-2000 arts handelt overeenkomstig de wettelijke eisen ten aanzien van persoonsregistratie (WPR). De ABNG-2000 arts die zijn praktijk beëindigt c.q. overdraagt, informeert zijn patiënten tijdig. Hierbij wordt aandacht geschonken aan wat er met de status van patiënten gebeurt, en welke artsen de patiënten als plaatsvervangers kunnen consulteren. De ABNG-2000 arts is verplicht aan zijn patiënten een praktijkfolder ter beschikking te stellen. De ABNG-2000 arts beheert zijn praktijk volgens goed Nederlands ondernemerschap en voert een overzichtelijke financiële administratie met aanduiding van de behandeldata.
10. Praktijkvoering Voor een goede praktijkvoering is voldoende praktijkruimte vereist, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, dat wil zeggen qua hygiëne, sanitaire voorzieningen, wachtruimte en onderzoeksruimte. De praktijkruimten dienen goed toegankelijk te zijn en voldoende de privacy van de patiënten te waarborgen. Behandelingsinstrumentaria dienen volgens de regelen der kunst adequaat gereinigd en zonodig gesteriliseerd te worden. De praktijk- en wachtruimten dienen eveneens deugdelijk te worden schoongehouden.
11. Onderwijs en begeleiding ABNG-2000 heeft haar eigen beroepsopleiding voor artsen, waaraan ook medische studenten kunnen deelnemen. De opleiding voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de eindtermen. Deze eindtermen zijn conform de behandelingsmethodes uit categorie A (zie ‘Omkadering van de natuurgeneeskunde’). De opleiding tot arts voor natuurgeneeskunde is breed van opzet:De theoretische onderbouwing bestrijkt, naast de klassieke thema’s, de moderne theorie van de neuraaltherapie, de biochemie binnen de orthomoleculaire geneeskunde, de fytotherapie en de immunologie van met name de darmDe diagnostische mogelijkheden worden verfijnd d.m.v. het lichamelijk onderzoek volgens Mayr en Moerman, toxicologisch en deficiëntie onderzoek en het microbiologisch onderzoek van de faeces.Het therapeutisch arsenaal is uitgebreid: reinigen, (zelf) vasten, voedings- en leefregels, ademhaling, uitscheidingsbevorderende methoden, microbiologische therapie, fytotherapie en orthomoleculaire geneeskunde.Meer informatie betreffende de opleiding is neergelegd in de opleidingsbrochure. 12. Wetenschappelijk onderzoek De ABNG-2000 arts streeft naar onderzoek en wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit en van de onderliggende mechanismen van de door hem gebruikte methoden. De ABNG-2000 arts registreert zoveel als mogelijk de resultaten van behandelingen op een dusdanige wijze, dat de gegevens tevens het doel kunnen dienen een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de biologische geneeskunde.
13. Evalueren van het beroepsmatig handelen De vereniging ABNG-2000 organiseert nascholingsbijeenkomsten waarin het eigen beroepsmatig handelen wordt ingebracht. Momenteel (september 2002) worden er voorbereidingen getroffen voor een systeem van onderling visiteren cq. intercollegiale toetsing van de leden. Intercollegiaal overleg tussen leden onderling wordt gestimuleerd, al dan niet onder supervisie van één der vakgroepen van de vereniging.
14. Ontwikkelen van individuele kennis en kunde De ABNG-2000 arts ziet het belang in van het zich op de hoogte stellen van nieuwe ontwikkelingen middels het bijhouden van literatuur en het volgen van na- en bijscholing. Hiertoe dient de nascholing van de ABNG-2000 arts te bestaan uit minimaal 4 biologisch/natuurgeneeskundige en minimaal 2 algemeen medische nascholingsdagen. De ABNG-2000 arts is in staat gegevens uit literatuur en nascholing te vertalen in consequenties voor het eigen natuurgeneeskundig en beroepsmatig handelen.
15. Ontwikkelen van het eigen beroep De ABNG-2000 arts verplicht zich nieuwe inzichten en ervaringen ter kennis te brengen van de beroepsgroep. De ABNG-2000 arts verplicht zich ontwikkelingen in de geneeskunde, welke consequenties hebben voor het beroepsmatige handelen, ter kennis te brengen van de beroepsgroep. Nieuwe, experimentele methodes voor diagnostiek en therapie worden volgens vastgesteld protocol aan de methodecommissie van de ABNG-2000 gemeld.
16. Trends en ontwikkelingen De ABNG-2000 arts heeft kennis van de relevante wetgeving en volgt het voor de natuurgeneeskunde relevante overheidsbeleid. Hij heeft tevens oog voor de ontwikkelingen op het gebied van wensen en rechten van patiënten, en voor de opvattingen van zorgverzekeraars.
17. Gedragscode De ABNG-2000 arts onderschrijft de gedragscode van de KNMG.
18. Klacht- en tuchtrecht De ABNG-2000 arts onderschrijft de “Klachtregeling Geneeskundige behandeling door additief / alternatief werkende artsen”, zoals overeengekomen met het NP/CF. Deze klachtregeling wordt voor de ABNG-2000, tezamen met vier andere lidverenigingen van de AAG in de AAG-klachtencommissie uitgevoerd. De ABNG-2000 heeft een adequaat functionerende tuchtcommissie.
19. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Zodra de ABNG-2000 arts zijn praktijk begint, draagt hij zorg voor een deugdelijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
|
|
beroepsprofiel ABNG-2000 Eindtermen
|
|
 |
 |
 |
 |
|
 |