Beroepsprofiel Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde, ABNG-2000
Inhoudsopgave
I. Inleiding AAG
II. Inleiding ABNG-2000 1. Ontwikkeling, validering en wie er bij betrokken zijn 2. Biologische en Natuurlijke Geneeskunde 3. Positie van de ANBG-2000 arts in het medische veld 4. Algemene principes 5. Basisprincipes 6. Methoden 7. Vakgroepen
III. Beroepsprofiel ABNG-2000 1. Definitie van de Natuurgeneeskunde 2. Geschiedenis van de Natuurgeneeskunde 3. Plaats in de gezondheidszorg 4. Doelgroep, indicaties/contra-indicaties, grenzen van de behandeling 5. Kennis en vaardigheden 6. Verlenen van zorg - Differentieel indicatie - Diagnostiek - Consulten en behandeling - Hoofdgroepen van behandeling - Verslaglegging 7. Voorlichting 8. Samenwerken - Rapportage - Verwijzen - Bereikbaarheid 10. Praktijkvoering 11. Onderwijs en begeleiding 12. Wetenschappelijk onderzoek 13. Evalueren van het beroepsmatig handelen 14. Ontwikkelen van de individuele kennis en kunde 15. Ontwikkelen van het eigen beroep 16. Trends en ontwikkelingen 17. Gedragscode 18. Klacht- en tuchtrecht 19. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering
I. Inleiding Artsenfederatie Alternatieve / Additieve Geneeskunde AAG
In 1995 werd door de gezamenlijke medische faculteiten, de KNMG en afgevaardigden van het ministerie van WVC en van de landelijke organisatie van co-assistenten, het Raamplan 19941 vastgesteld en aan de ministers van O&W en WVC aangeboden. Het Raamplan 1994 is een beschrijving van het beroepsprofiel en de eindtermen van de basisartsopleiding. Het Raamplan beschrijft in de eindtermen de eisen waaraan een afgestudeerd basisarts dient te voldoen en is als zodanig de handleiding voor de onderwerpen welke in de opleiding behandeld en bij het examen gekend en beheerst dienen te worden. In de navolgende jaren vanaf 1995 zijn een aantal reguliere specialismen begonnen hun specialisme op dezelfde manier te beschrijven. Op deze wijze wordt de geneeskunde in Nederland in kaart gebracht en gesystematiseerd. In 1997 werd een algemeen hoofdstuk hieruit als uitvoerende maatregel toegevoegd aan de wet BIG. Begin 1998 zijn de lid verenigingen van de AAG2 met een startsubsidie van het OKAB-project van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO gezamenlijk begonnen op gelijke wijze hun vakgebieden in kaart te brengen. Gaandeweg werden grote overeenkomsten en grote verschillen zichtbaar, hetgeen gaat resulteren in 6 uitgaven van beroepsprofielen en eindtermen met een gelijke opbouw met vakspecifieke invulling. De verschillen in complexiteit en omvang van de vakgebieden veroorzaakte verschillen in voortgang. De 6 delen zullen dan ook niet tegelijkertijd uitkomen maar in de komende 1 à 2 jaar achter elkaar verschijnen. De beschrijvingen moeten niet gezien worden als een weergave van de huidige situatie. Zij zijn ideaalbeschrijvingen welke als richtlijn kunnen dienen voor een systematische ontwikkeling van de toekomstig gewenste opleidingen, los van (huidige) financiële en personele beperkingen. De beschrijvingen kunnen in de toekomst tevens gezien worden als een maatschappelijke maatstaf van wat goede additieve/alternatieve geneeskunde is, en zijn dan als zodanig geschikt als maatschappelijke richtlijn voor onder andere tuchtrecht, inspectie, BIG-registratie en nascholing. Ter oriëntatie op het kader waarbinnen deze beroepsprofielen en eindtermen geschreven zijn treft u in de bijlagen enkele hoofdsstukken uit het Raamplan 1994 aan. Het raamplan 1994 kan tevens gezien worden als vertrekpunt voor de algemeen medische nascholing. Wat betreft het overeenkomstige algemene gedeelte werkten de 6 werkgroepen samen. De specifieke delen zijn geschreven door 6 afzonderlijke commissies. De commissies werden in de systematiek van het Raamplan 1994 ingewerkt en begeleid door dhr. J. Doets, arts. Dhr. Doets was namens de KNMG deelnemer in de commissie die het Raamplan 1994 schreef. De AAG dankt prof.dr. J.C.M. Metz voor zijn bereidwillige instemming met overname van delen van het boek Raamplan 1994, zonder welke het algemene kader van het werk van de AAG-lidverenigingen niet makkelijk weer te geven zou zijn geweest.
M.P.L Jansen artsconsultant, projectleider September 2001
II. Inleiding Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde ABNG-2000
1. Ontwikkeling, validering en wie er bij betrokken zijn De eerste opzet van het beroepsprofiel werd op instigatie van de AAG geschreven door twee leden van het bestuur van de ABNG (R.J. Kleipool en E.K. Lugard), in nauw overleg met een derde bestuurslid (B. Thonon) en een voormalig bestuurslid (R. Kipp). Dit concept werd in november 1998 aan de leden van de ABNG toegestuurd, met het verzoek om commentaar te leveren. Op de Algemene Ledenvergadering van 23 november 1998 is het concept besproken. Relevante opmerkingen werden in dit concept verwerkt, met name waar het de begrenzingen van het vak van natuurarts betreft alsmede de inbreng die gegeven werd op het onderwerp ‘geschiedenis’ van de natuurgeneeskunde. Voor de algemene ledenvergadering van september 2000 is het concept wederom naar de leden verzonden, met het verzoek wezenlijke correcties op schrift in te dienen. Op die vergadering is door de leden aan het bestuur mandaat verleend om het resultaat van de discussie te verwerken tot de definitieve versie van het beroepsprofiel. Inmiddels was de ABNG de samenwerkingsbesprekingen met de ANTTT (Artsenvereniging voor Niet Toxische Tumortherapie) gestart. In het voorjaar 2002 is dit uitgemond in het transformeren van de bestaande vereniging Artsenvereniging voor Bevordering van de Natuurgeneeskunde ABNG. De nieuwe naam van de vereniging is veranderd in ABNG-2000, waarbij de initialen dezelfde zijn gebleven, doch de inhoud is veranderd: Artsenvereniging voor Biologische en Natuurlijke Geneeskunde. Daaruitvolgend kwam de noodzaak naar voren om een aantal belangrijke basisstukken, zoals het beroepsprofiel aan de nieuwe verenigingsvorm aan te passen. Aan deze aanpassing hebben twee leden van het bestuur (R.J. Kleipool en M. Oussoren) gewerkt. De planning is om per 1 januari 2003 de nieuwe verenigingsvorm definitief notarieel te bevestigen. Aangezien het gezamenlijke deel van het beroepsprofiel met de andere AAG-leden inmiddels ingekort was, zijn een flink aantal artikelen, die aanvankelijk in het gezamenlijke deel waren opgenomen, nu integraal in de tekst van de ABNG-2000 opgenomen. A. Kruyswijk en E. Lugard hebben daar het nodige werk voor geleverd.
2. Biologische en Natuurlijke Geneeskunde Grote drijfveer achter het ontwikkelingsproces van de ABNG van de laatste jaren is geweest het professionaliseren van het werk van de leden en het verduidelijken van de herkenbaarheid van het gezicht van de natuurarts naar de samenleving toe. Bij het zoeken naar een nieuwe naam zijn vele mogelijke alternatieven de revue gepasseerd. Uiteindelijk is de term Biologisch het geworden, ondanks het feit dat er ook een onduidelijke kant aan deze term zit. De nieuwe vereniging heeft zich ten doel gesteld om de term biologische geneeskunde in de komende jaren inhoud, betekenis en bekendheid te gaan geven. Biologisch is op te vatten als de wetenschappelijke duiding van wat natuurlijk is. Natuurlijke geneeskunde is dat deel van de geneeskunde dat ook bekend staat als traditionele geneeskunde, de geneeskunde waaruit alle geneeswijzen zijn voortgekomen. Een andere aanduiding is geneeskunde van de alledaagse levensverrichtingen, verwijzend naar al die zaken waar het gezonde verstand aangeeft wat heilzaam is of niet. Hiermee hangt het gebruik van natuurlijke middelen en methodes samen, waarbij als voorbeeld het juiste gebruik van de elementen aarde, water, licht/vuur en lucht, voeding, ademhaling en vertering, etc. kan dienen. In handen van de natuurarts krijgen deze elementen therapeutische betekenis in de zin van versterking van de belangrijke levensfuncties van de mens (psyche, spijsvertering, immuunsysteem, stofwisseling). Biologische geneeskunde is in de oorspronkelijke betekenis van het woord op te vatten als de geneeskunde die zich baseert op kennis uit de biologie, kennis van het leven zelf. Getracht wordt om de samenhang met biochemie, biofysica en fysiologie te gebruiken en te onderzoeken. Ze tilt deze inzichten en kennis uit de natuurgeneeskunde op tot een hoger niveau. Hier wordt de samenhang gevonden en worden nuanceringen aangebracht. Met moderne, geavanceerde methodes kan de natuurgeneeskunde wetenschappelijk en professioneel worden onderzocht. Hierbij dient naast de biofysica, biochemie en fysiologie ook de kennis van het basis bioregulatie systeem als onderzoekskader. De biologische en natuurlijke geneeskunde is een benaderingswijze van geneeskunde die een fundamenteel vertrouwen stelt in het zelfgenezende vermogen van het menselijke lichaam. Zij houdt zich derhalve niet primair bezig met het bestrijden van ziekte en het behandelen van symptomen, omdat de ziekteverschijnselen een gevolg kunnen zijn van dit genezingsproces. Zij richt zich vooral op het bevorderen van de zelfgenezende processen bij patiënten en tracht deze te bestuderen.
3. Positie van de ABNG-2000 arts in het medisch veld De ABNG-2000 arts erkent zijn bijzondere positie in het medisch veld. Hij weet zich namelijk enerzijds volledig gekwalificeerd als (basis)arts, terwijl hij ook een groot besef van alternatieve denkmethodes heeft. In het onderliggende beroepsprofiel komen dan ook beide kanten van medisch handelen tot volle uitdrukking. Dat de ABNG-2000 arts moet werken vanuit een totaalvisie die beide kanten overziet en integreert, is de grote, toegevoegde waarde van de beroepsgroep van natuurartsen, alhoewel dit zowel de vereniging alsook de individuele arts af en toe in een spagaatstand brengt. Denken veel mensen in termen van regulier versus alternatief, voor de ABNG-2000 arts is er sprake van één geneeskunde, met verschillende niveaus van therapeutisch handelen (zie voor nadere informatie het schema van de Vijf universele behandelniveuas).
4. Algemene principes De ABNG-2000 arts is primair arts en oefent zijn beroep uit op basis van de wet BIG, hetgeen inhoudt dat hij verantwoorde zorg geeft conform zijn opleiding. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan zorg van goed niveau, welke in ieder geval doelmatig en patiëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoeften van de patiënt.De ABNG-2000 arts verleent zorg conform zijn opleiding tot arts, hetgeen betekent dat hij een standaard anamnese afneemt en standaard lichamelijk onderzoek verricht. Hij werkt volgens de KNMG gedragsregels. Hij onderneemt actie, behandelt of verwijst bij het constateren van alarmsymptomen, acute (infectie)ziekten of levensbedreigende ziektebeelden.
5. Basisprincipes Basisprincipes voor de ABNG-2000 arts zijn:‘Primum nil Nocere’. Voorop staat dit door Hippokrates verwoorde principe dat door de therapie geen schade mag worden veroorzaakt.Bevorderen van het zelfgenezend vermogen door de eigen natuurlijke genezingsprocessen in het lichaam te stimuleren en te activeren met natuurlijke, biologische, psychische en energetische methodes.Veel aandacht voor voeding, reiniging en leefregels en speciale aandacht voor mentale instelling, intuïtie en spiritualiteit.Gebruik maken van al die methodes en technieken uit de reguliere en complementaire geneeskunde die ‘natuurlijk’ van aard zijn en een gebleken waarde hebben in de diagnostiek en het zelfherstel van ziekten.ABNG-2000 staat garant voor de kwaliteit van het medisch handelen door de specifieke ABNG-2000 opleiding, verplichte nascholing (ook algemeen medisch), tuchtregeling, toetsing en visitatie (is in voorbereiding).De uitwerking van deze basisprincipes staan in het onderliggend Beroepsprofiel en in de Omkadering van de natuurgeneeskunde beschreven. Gedetailleerde uitwerkingen kunnen gevonden worden in het Huishoudelijk Reglement ABNG-2000.
6. Methodes Zoals uit de basisprincipes blijkt, maakt de biologische en natuurlijke geneeskunde gebruik van een veelheid van methoden, op voorwaarden dat die bijdagen tot het natuurlijke herstel van ziekten cq. het bevorderen van de gezondheid. Het spreekt van zelf dat daarbij uitsluitend methoden dienen te worden toegepast die aantoonbaar niet-schadelijk zijn en die effectief zijn. Gezien de voortdurend wijzigende situatie op dit gebied door wetenschappelijke en professionele vooruitgang, hanteert de ABNG-2000 een interne methodiek voor het screenen van de door leden toegepaste methoden. Zij onderscheidt daartoe:Basismethoden die door alle ABNG-2000 artsen worden aanvaard en toegepastAanvullende methoden die wel in de ABNG-2000 door de ledenvergadering zijn aanvaard, maar door slechts een deel van de leden worden toegepastNieuwe methoden die door een klein gedeelte van de leden worden toegepast en een experimenteel karakter hebben. In deze categorie gaat het om een tijdelijke toepassing onder gecontroleerde condities die een evaluatie en definitieve besluitvorming mogelijk maakt.De ingestelde methodecommissie zal de uitwerking van dit classificeringssysteem bevorderen, toetsen en bewaken.
7. Vakgroepen Met de inhoudelijke taken van de vereniging zullen in te stellen vakgroepen worden belast. In eerste instantie zal sprake zijn van twee vakgroepen, te weten de vakgroep natuurgeneeskunde en de vakgroep niet toxische tumortherapie. Een aantal andere deelgebieden van het therapeutisch arsenaal komen in aanmerking om als vakgroep ingesteld te gaan worden (o.a. Mayr, Colonhydrotherapie en Ayurveda). Deze instelling van vakgroepen houdt rekening met de mogelijke aansluiting van sympathiserende artsenverenigingen waarvan de artsen in een grotere samenhang hun beroep willen beoefenen. Voor de aanmelding van nieuwe lidorganisaties is een aanmeldingsprocedure ontwikkeld.
R.J. Kleipool, M. Oussoren, Bestuursleden ABNG Amsterdam, september 2002
III. Beroepsprofiel ABNG-2000
1. Definitie van de natuurgeneeskunde Volgens de statuten van ABNG-2000 wordt onder natuurgeneeskunde verstaan de geneeskunde die zich in haar benadering van ziekte richt op de gehele mens en niet primair op zieke organen en systemen. In haar denkmodel baseert zij zich in wezen op de mens in wisselwerking met zijn milieu. Vanuit dit standpunt beschouwt de natuurgeneeskunde steeds de gehele mens en diens zelfgenezend vermogen. Daarbij hanteert de natuurarts een eigen interpretatie van ziektesymptomen. Het therapeutisch arsenaal bestaat uit een breed scala van geneeswijzen en (natuurlijke) medicatie. Aan de gezonde mens heeft de natuurgeneeskunde iets belangrijks te bieden, namelijk een leefwijze die gezond houdt en preventief werkt. Onder gezond verstaat de natuurarts: “Het zo bewust mogelijk evenwichtig functioneren van het individu in wisselwerking met diens omgeving op lichamelijk, energetisch, geestelijk en emotioneel gebied, in overeenstemming met de natuurlijke (aangeboren) aanleg, waarbij het individu met de invloeden uit de omgeving adequaat kan omgaan. Natuurgeneeskunde is een vorm van geneeskunde die nastreeft dit dynamische evenwicht te herstellen en te behouden. De eigen verantwoordelijkheid van de patiënt wordt daarbij essentieel geacht.Voor het streven naar dit doel staan de natuurarts verschillende methoden ter beschikking. Hierin zijn te onderscheiden:adviezen die door de patiënt zelf zijn uit te voeren met betrekking tot dieet, uitscheiding, slapen, ontspanning, beweging, ademhaling en andere natuurlijke verrichtingen.behandelingen en therapieën die door de arts worden voorgeschreven en uitgevoerd.
2. Geschiedenis van de natuurgeneeskunde Het moment waarop geneeskunde voor het eerst bewust werd toegepast is niet te bepalen. Door hun waarnemingen van de omringende natuur zullen onze verre voorouders zich natuurgeneeskundige inzichten hebben eigen gemaakt. Voor zover wij weten heeft de (natuur)geneeskunde tot aan het ontstaan van de hoog ontwikkelde culturen rond de Euphraat en de Tigris, de Nijl en de Indiase en Chinese grote rivierstromingen (Indus, Ganges, Jangtsekiang) vooral een animistisch voorstellingspatroon gehad. Hierbij was ziekte, maar ook gezondheid, van bovennatuurlijke oorsprong en sterk gekoppeld aan straf, zonde, taboes en bovennatuurlijke negatieve krachten (demonen). We praten dan over de periode van 3000- 2500 jaar voor Chr. Het is de periode waarin naast een duidelijk geformuleerde religie ook de wetenschap opkwam, die zich bezig hield met tijdwaarneming, met de ritmische veranderingen in de natuur en met de loop van de door de goden bestuurde hemellichamen. De Ayurveda van Caraka beslaat in die tijd het gehele terrein van de geneeskunde en is in wezen een natuurfilosofische geneeskunde. Het niveau hiervan staat op een zeer hoog peil. Men kende bijvoorbeeld de darmnaad, de neusplastiek en vele adviezen met betrekking tot ziekte en gezondheid die heden ten dage nog van kracht zijn. De westerse (natuur)geneeskunde is dus niet gestart met het denken van de Griekse geneesheren. Hun kennis en vaardigheden werden beïnvloed door de omringende volkeren en door overlevering via geschriften. Onder invloed van Pythagoras ontstond in de vijfde eeuw v. Chr. de periode waarin de artsen filosofen waren. Pythagoras stichtte een gemeenschap waarin men een leven van harmonie en gezondheid trachtte te leiden door het onderhouden van een vaste dagorde, godsdienstige bezinning en het volgen van een dieet. Pythagoras nam vier elementen aan: aarde, water, lucht en vuur, waaruit hij alles ontstaan dacht door aantrekkende en afstotende krachten. Hij ontwikkelde een ziekteleer die later door Hippokrates zou worden uitgewerkt. De Pythagoreeërs, zoals ze genoemd werden, handhaafden zich nog eeuwen als een gemeenschap. Met Hippokrates (460-377 v. Chr.) begon een geneeskunde waarin eigen waarneming en onderzoek tot ontwikkeling kwamen. Van hem stamt de zogenaamde humoraalpathologie. Nieuw in de Hippocratische geneeskunde zijn de uitgangspunten: Ziekte wordt veroorzaakt door vervuiling van de lichaamsvloeistoffen. Met diëtetische leefregels en individuele maatregelen kunnen genezingen worden bereikt. Na zijn dood bleven de Hippocratische principes honderden jaren van kracht. Een nieuwe impuls bracht Galenus (130-200), die met kop en schouders boven zijn voorgangers uitstak en die de geneeskunde ruim duizend jaar zou beheersen. Gezondheid (eukrasie) was in zijn visie de harmonische vermenging van vier hoofdsappen. Eukrasie was een evenwicht tussen vier verschillende componenten; ziekte (dyskrasie) was ook volgens hem een slechte menging van de vier sappen die tot ziekte en dood leidde. Om Galenus te begrijpen moeten we ons vooral realiseren dat hij heilig geloofde in de functie van de arts als degene die de zelfgenezende natuurkrachten moest ondersteunen en bevorderen. De grondprincipes van de moderne natuurgeneeskunde sluiten dus perfect aan bij Galenus’ opvatting in dit opzicht. Een voorname plaats in de ontwikkeling van de natuurgeneeskunde had ook Paracelsus (1493-1541). De vitale lichaamskracht, die volgens Paracelsus door de wil van God wordt geleid en bepaald, noemt hij de archeus. De arts moet bij ziekte deze archeus te hulp schieten door natuurkrachten en natuurproducten te gebruiken, die de zieke kunnen helpen. Rudolf Virchow (1820-1902) was een typische vertegenwoordiger van de negentiende eeuw. In zijn lange leven was hij baanbrekend werkzaam op vele gebieden van wetenschap: pathologie, anatomie, antropologie, etnologie, geschiedenis van de geneeskunde en openbare gezondheidszorg. De cel is voor Virchow hét uitgangspunt van alle levensverschijnselen en dient daarom ook in de pathologie als uitgangspunt van het ziekelijk gebeuren te worden gekozen. Virchow verwierp alle filosofie en teleologie, alsmede de humoraalpathologie. Virchow en zijn leerlingen gingen op den duur steeds éénzijdiger anatomisch denken. Zijn volgelingen dachten vooral lokalistisch en verloren meer en meer het oog voor het geheel van het organisme als geheel. Zij zochten de zetel der ziekte in de cel en verloren het zicht op de door Hippokrates geformuleerde constitutie en het zelfgenezingsvermogen. Louis Pasteur (1822-1895) bewees dat vrijwel overal kiemen aanwezig zijn en dat men die door sterilisatie kan doden, zodat rotting, gisting en infectie worden voorkomen. Intussen leefde in Frankrijk de man die de grondslagen zou leggen voor de moderne fysiologie: Claude Bernard (1813-1878). Naast vele interessante ontdekkingen, o.a. over de betekenis van de pancreas kwam hij tot de beroemde conclusie: “Le bacterie ce n’est rien; le terrain c’est tout”. Deze idee, alsmede zijn opvattingen omtrent fermentatie brachten hem in een scherp wetenschappelijk conflict met Pasteur. In zijn wetenschappelijk werk doet Bernard zich kennen als een geoefend wijsgerig denker. Een tegenbeweging ten opzichte van het negentiende-eeuwse, lokalistische denken werd ook gevormd door het optreden van Sebastian Kneipp (1821-1897), een geestelijke die zieken ging behandelen met zogenaamde waterkuren. Het resultaat van zijn koud-water-behandelingen schreef hij toe aan het prikkelen van het lichaam, waardoor het zichzelf geneest. In de twintigste eeuw kwam de geneeskunde, net zoals de gehele maatschappij, meer en meer in de greep van economische belangen. Met geneesmiddelfabricage kon via octrooien enorm veel geld verdiend worden. Voor de geneeskunde betekende dit dat er veel geld beschikbaar kwam voor geneesmiddelonderzoek. Niet octrooieerbare geneesmiddelen, bijvoorbeeld kruiden, kwamen daardoor op de achtergrond of werden nauwelijks industrieel ontwikkeld, bijvoorbeeld mineralen, vitaminen en orgaanpreparaten. Daarentegen zijn in de afgelopen eeuw ook geleidelijk aan niet-westerse paradigma’s hun invloed op de westerse cultuur gaan uitoefenen. In het begin van de vorige eeuw waren het in onze omgeving o.a. artsen als Bircher Benner (1867-1939) en Mayr (1875-1965), die opnieuw de aandacht vestigden op het organisme als geheel, een gezonde leefwijze en het zelfgenezingsvermogen van de mens. In Nederland richtten de arts Y. Hettema, Felix Ortt en prof. W.H.D. Tenhaeff (parapsycholoog) de Nederlandse vereniging voor natuurgeneeswijze op. Na de tweede Wereldoorlog hebben vooral de artsen R.A.B. Oosterhuis, H. van der Upwich en mevrouw T. Kaayk een voortrekkersrol gespeeld in de natuurgeneeskunde. Ten gevolge daarvan zien we omstreeks de zestiger jaren een sterke toename van het op een natuurfilosofische wijze benaderen van ziekte en gezondheid, in navolging van Bircher Benner en anderen. Een belangrijke rol hierbij spelen enkele Nederlandse uitgeverijen, zoals De Driehoek, Kluwer en later Ankh Hermes, die vele vertalingen van werken op niet-reguliere terreinen van de geneeskunde uitgaven. Ook de media gingen steeds meer aandacht besteden aan andere (“alternatieve”) mogelijkheden van geneeskunde. In 1978 werd onder voorzitterschap van L. Kunst, Arts te Gorinchem door een twintigtal artsen de Artsenvereniging tot Bevordering van de Natuurgeneeskunde (ABNG) opgericht. De vereniging telt momenteel 85 leden en neemt in ons land een belangrijke plaats in, naast de regulier werkende collega’s, de homeopathische artsen, de antroposofische artsen, de artsen voor neuraal- en regulatietherapie en de arts-acupuncturisten.
3. Plaats in de gezondszorg De ABNG-2000 arts oefent zijn vak uit in het gebied van de individuele gezondheidszorg. Het werkgebied van de ABNG-2000 arts strekt zich inhoudelijk uit over het gebied van preventie, het gebied van gezondheidsbevorderende behandelingen alsook over het gebied van ziektebestrijdende methodieken. Patiënten kunnen zich zowel op eigen initiatief als op verwijzing aanmelden voor behandeling. Vooralsnog worden de additieve geneeswijzen slechts incidenteel intramuraal toegepast. Zowel huisarts, specialist als andere zorgverleners (te denken valt hierbij aan o.a. fysiotherapeut, psychotherapeut, verpleegkundige) kunnen een patiënt “verwijzen” naar een ABNG-2000 arts. De ABNG-2000 arts valt moeilijk te plaatsen in het gangbare schema van eerste en tweedelijns geneeskunde. Idealiter verzorgt de ABNG-2000 arts de eerste opvang en behandeling van patiënten. Door de huidige organisatie en financiering van de gezondheidszorg in Nederland komen patiënten vaak pas nadat zij door huisarts en/of specialist zijn uitbehandeld. Anderzijds verwijst de ABNG-2000 arts de patiënt zonodig naar huisarts, complementair werkend arts, specialist of therapeut. De ABNG-2000 arts kan zijn praktijk uitoefenen in een solopraktijk of in een groepspraktijk.
4. Doelgroep, indicaties/contra-indicaties, grenzen van de behandeling De arts ABNG-2000 is in staat om vanuit een breed perspectief tot een advies te komen met betrekking tot de geschiktheid van een additieve of reguliere behandeling voor de betreffende patiënt. Gezien de doelstelling van de natuurgeneeskundige interventies (gezondheid herstellen en behouden) komen vele categorieën patiënten in aanmerking voor natuurgeneeskundige behandeling. Voor de indicaties voor een natuurgeneeskundige behandeling zijn er in beginsel geen beperkingen. In een aantal gevallen zal de natuurgeneeskundige behandeling de hoofdtherapie zijn, in andere gevallen zal deze alleen als complementaire therapie dienen. Als contra-indicaties kunnen die ziektebeelden worden genoemd waarbij andere behandelingen betere resultaten kunnen geven, bijvoorbeeld acute, levensbedreigende aandoeningen en ziektebeelden waarin chirurgisch of psychiatrisch ingrijpen noodzakelijk is. De grenzen van het geneeskundig handelen worden door de arts zelf getrokken. Hierbij baseert hij zich op zijn kennis en ervaring.
5. Kennis en vaardigheden De ABNG-2000 arts is in staat tot medische besluitvorming en hanteert een adequate systematiek in zowel diagnose als therapie. De vereniging ABNG-2000 brengt de therapeutische methoden onder in drie categorieën:Basismethoden die door alle ABNG-2000 artsen worden aanvaard en toegepastAanvullende methoden die wel in de ABNG-2000 door de ledenvergadering zijn aanvaard, maar door slechts een deel van de leden worden toegepastNieuwe methoden die door een klein gedeelte van de leden worden toegepast en een experimenteel karakter hebbenDe bedoeling en het gebruik van deze methoden wordt uitgebreid toegelicht in het plan ‘Omkadering van de natuurgeneeskunde’. De ABNG-2000 arts bezit voldoende kennis en vaardigheden om op relevante gebieden zelfstandig -eventueel na overleg met een collega- diagnose te stellen en een behandeling voor te schrijven, dan wel door te verwijzen.
6. Verlenen van zorg 6.1. Differentieel indicatie De ABNG-2000 arts is in staat te differentiëren tussen indicaties voor natuurgeneeskundige en/of reguliere behandeling. De keuze voor behandeling wordt in nauw overleg met de patiënt gemaakt. 6.2. diagnostiek Naast de algemeen gebruikelijke manieren van diagnose stellen, maakt de natuurarts gebruik van het interpreteren van ziektesymptomen, die hij ziet als waarschuwingssignalen en als pogingen van het organisme om de ziekte / afwijking te overwinnen. Tijdens het eerste consult wordt een uitgebreide anamnese afgenomen. Vervolgens wordt relevant lichamelijk onderzoek gedaan. Daarnaast kunnen van eerder door de huisarts en/of specialist uitgevoerd onderzoek de gegevens worden opgevraagd en kan desgewenst nader onderzoek worden aangevraagd, zoals laboratoriumonderzoek en Röntgenonderzoek. 6.3. Consulten en behandeling Zowel in het eerste consult als in vervolgconsulten worden de bevindingen met de patiënt besproken. Er wordt een behandelplan opgesteld en dit wordt aan de patiënt voorgelegd, waarbij de mogelijkheden en beperkingen van de behandeling m.b.t. de hulpvraag worden toegelicht. Omdat met name de uitvoering van de basisadviezen door de patiënt zelf gedaan moet worden, is het van het grootste belang dat deze, door voldoende uitleg, hiertoe gemotiveerd raakt. Tijdens de consulten die volgen zal de arts steeds de resultaten van de behandeling met de patiënt bespreken en waar nodig de behandeling aanpassen. Indien nodig zal tijdens de vervolgconsulten relevant (lichamelijk) onderzoek plaatsvinden. De behandeling wordt beëindigd als de arts en/of de patiënt van mening zijn dat het gewenste resultaat is bereikt en/of indien verwacht wordt dat verdere behandeling geen meerwaarde zal hebben. De arts verwijst patiënten aan wie hij onvoldoende hulp kan bieden – na wederzijds overleg – zo mogelijk door naar een terzake kundige hulpverlener voor verdere gezondheidsbevorderende of ziektebestrijdende behandeling. 6.4. Hoofdgroepen van behandeling De behandeling door de natuurarts onderscheidt zich in de volgende hoofdgroepen: 6.4.1. Preventieve zorg De ABNG-2000 arts richt zich wat betreft preventie, de essentie van de gezondheidszorg, op het geven van individuele adviezen op het gebied van voeding en leefwijze die ten doel hebben een optimale gezondheid te bereiken, zowel op lichamelijk, energetisch, geestelijk als emotioneel gebied. Deze adviezen gaan uit van de individuele constitutie van de patiënt, diens leeftijd en conditie, en diens sociale omstandigheden. Tevens kan hij voorlichting en instructie geven in groepsverband, bij voorbeeld in de vorm van lezingen en vastenkuren. 6.4.2. Gezondheidsbevorderende behandelingen Basistherapieën: deze bestaan uit voedingsaanwijzingen, ademhalingsoefeningen, lucht-, licht- en waterbehandelingen, bewegings- en ontspanningsoefeningen, pakkingen en niet op de laatste plaats adviezen en aanwijzingen voor het dagelijks leven. Hulptherapieën: deze ondersteunen, wekken op of reguleren in beginsel de zelfgenezende reacties van het individu. Deze hulptherapieën kunnen velerlei zijn. De natuurgeneeskunde beschouwt tot haar specifieke gebied: de fytotherapie, colonhydrotherapie, microbiologische therapie, voedings- en vastentherapie. 6.4.3. De behandeling van ziekten en afwijkingen Indien in de situatie van de patiënt behandeling met gezondheidsbevorderende methodes niet toereikend is, kan gebruik worden gemaakt van suppletietherapieën maar alleen voor zolang dat nodig is. De suppletiebehandeling omvat het voorschrijven van geneesmiddelen en behandelmethoden die een aanwezig tekort aanvullen, zoals vitamines, mineralen en hormonen. Daarnaast is de ABNG-2000 arts in staat zogenaamde symptomatische therapieën te hanteren. Deze omvatten geneesmiddelen en behandelingen die in hun werking gericht zijn op het bestrijden van de ziektesymptomen, zoals antibiotica, pijnstillers en antihypertensiva. De natuurarts kan van deze middelen gebruik maken en/of voor voorschrijven verwijzen, indien de leefbaarheid van de patiënt dit vereist en alleen voor zolang dat nodig is. 6.5. Verslaglegging De ABNG-2000 arts legt de gegevens van het consult eenduidig interpreteerbaar, bondig en leesbaar vast, met het oog op de continuïteit van de zorg, toetsing en verdieping van de eigen kennis, alsmede ten behoeve van eventuele wetenschappelijke doeleinden. De verslaglegging voldoet aan de eisen die hiervoor in de reguliere geneeskunde gebruikelijk zijn. In plaats van schriftelijke verslaglegging kan dit ook gebeuren middels moderne technieken.
7. Voorlichting De ABNG-2000 arts is in staat voorlichting te geven aan de navolgende doelgroepen:zij die preventief advies vragen, patiënten en naasten.collegae en hulpverleners uit andere disciplines in de gezondheidszorg. De ABNG-2000 arts kan een bijdrage leveren aan publieksvoorlichting. Dit mag uitdrukkelijk geen persoonlijk wervend karakter hebben, waarbij tevens geen claim gelegd mag worden op de resultaten van behandeling.
8. Samenwerken De ABNG-2000 arts is bereid tot communicatie met collegae en andere hulpverleners. 8.1 Rapportage Zodra een patiënt zich tot een ABNG-2000 arts heeft gewend, dan wordt de huisarts, en indien van toepassing een eventuele verwijzer van de patiënt, van de bevindingen en de behandeling op de hoogte gesteld, slechts indien patiënt met deze berichtgeving instemt. Ook als de continuïteit en de complexiteit van de behandeling dit vereisen, houdt de ABNG-2000 arts de huisarts cq. verwijzer op de hoogte van zijn bevindingen en de toestand van de patiënt. 8.2. Verwijzen Het verdient aanbeveling dat de patiënt op het eerste consult komt met medeweten van de huisarts. De ABNG-2000 arts doet de verwijzing van een patiënt naar een andere arts of hulpverlener vergezeld gaan van relevante inlichtingen en een duidelijke omschrijving van het doel van de verwijzing. De ABNG-2000 arts die tevens huisarts / specialist is, en een aanvullende opleiding in de natuurgeneeskunde heeft, kent zijn grenzen en verwijst zo nodig naar een gespecialiseerde collega.Bereikbaarheid en waarnemingDe ABNG-2000 arts is dagelijks bereikbaar en treft in verband met de continuïteit van de zorg maargelen voor gevallen wanneer hij niet aanwezig is. Dit kan middels goede instructie aan de patiënt en waarneming door een voldoende onderlegde collega. Indien de ABNG-2000 arts tevens huisarts is, dienen binnen de HAGRO goede afspraken gemaakt te worden over de aanpak van behandeling van de patiënt tijdens de waarneming.
9. Gegevensbeheer De ABNG-2000 arts handelt overeenkomstig de wettelijke eisen ten aanzien van persoonsregistratie (WPR). De ABNG-2000 arts die zijn praktijk beëindigt c.q. overdraagt, informeert zijn patiënten tijdig. Hierbij wordt aandacht geschonken aan wat er met de status van patiënten gebeurt, en welke artsen de patiënten als plaatsvervangers kunnen consulteren. De ABNG-2000 arts is verplicht aan zijn patiënten een praktijkfolder ter beschikking te stellen. De ABNG-2000 arts beheert zijn praktijk volgens goed Nederlands ondernemerschap en voert een overzichtelijke financiële administratie met aanduiding van de behandeldata.
10. Praktijkvoering Voor een goede praktijkvoering is voldoende praktijkruimte vereist, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, dat wil zeggen qua hygiëne, sanitaire voorzieningen, wachtruimte en onderzoeksruimte. De praktijkruimten dienen goed toegankelijk te zijn en voldoende de privacy van de patiënten te waarborgen. Behandelingsinstrumentaria dienen volgens de regelen der kunst adequaat gereinigd en zonodig gesteriliseerd te worden. De praktijk- en wachtruimten dienen eveneens deugdelijk te worden schoongehouden.
11. Onderwijs en begeleiding ABNG-2000 heeft haar eigen beroepsopleiding voor artsen, waaraan ook medische studenten kunnen deelnemen. De opleiding voldoet aan de eisen die zijn neergelegd in de eindtermen. Deze eindtermen zijn conform de behandelingsmethodes uit categorie A (zie ‘Omkadering van de natuurgeneeskunde’). De opleiding tot arts voor natuurgeneeskunde is breed van opzet:De theoretische onderbouwing bestrijkt, naast de klassieke thema’s, de moderne theorie van de neuraaltherapie, de biochemie binnen de orthomoleculaire geneeskunde, de fytotherapie en de immunologie van met name de darmDe diagnostische mogelijkheden worden verfijnd d.m.v. het lichamelijk onderzoek volgens Mayr en Moerman, toxicologisch en deficiëntie onderzoek en het microbiologisch onderzoek van de faeces.Het therapeutisch arsenaal is uitgebreid: reinigen, (zelf) vasten, voedings- en leefregels, ademhaling, uitscheidingsbevorderende methoden, microbiologische therapie, fytotherapie en orthomoleculaire geneeskunde.Meer informatie betreffende de opleiding is neergelegd in de opleidingsbrochure.
12. Wetenschappelijk onderzoek De ABNG-2000 arts streeft naar onderzoek en wetenschappelijke onderbouwing van de effectiviteit en van de onderliggende mechanismen van de door hem gebruikte methoden. De ABNG-2000 arts registreert zoveel als mogelijk de resultaten van behandelingen op een dusdanige wijze, dat de gegevens tevens het doel kunnen dienen een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de biologische geneeskunde.
13. Evalueren van het beroepsmatig handelen De vereniging ABNG-2000 organiseert nascholingsbijeenkomsten waarin het eigen beroepsmatig handelen wordt ingebracht. Momenteel (september 2002) worden er voorbereidingen getroffen voor een systeem van onderling visiteren cq. intercollegiale toetsing van de leden. Intercollegiaal overleg tussen leden onderling wordt gestimuleerd, al dan niet onder supervisie van één der vakgroepen van de vereniging.
14. Ontwikkelen van individuele kennis en kunde De ABNG-2000 arts ziet het belang in van het zich op de hoogte stellen van nieuwe ontwikkelingen middels het bijhouden van literatuur en het volgen van na- en bijscholing. Hiertoe dient de nascholing van de ABNG-2000 arts te bestaan uit minimaal 4 biologisch/natuurgeneeskundige en minimaal 2 algemeen medische nascholingsdagen. De ABNG-2000 arts is in staat gegevens uit literatuur en nascholing te vertalen in consequenties voor het eigen natuurgeneeskundig en beroepsmatig handelen.
15. Ontwikkelen van het eigen beroep De ABNG-2000 arts verplicht zich nieuwe inzichten en ervaringen ter kennis te brengen van de beroepsgroep. De ABNG-2000 arts verplicht zich ontwikkelingen in de geneeskunde, welke consequenties hebben voor het beroepsmatige handelen, ter kennis te brengen van de beroepsgroep. Nieuwe, experimentele methodes voor diagnostiek en therapie worden volgens vastgesteld protocol aan de methodecommissie van de ABNG-2000 gemeld.
16. Trends en ontwikkelingen De ABNG-2000 arts heeft kennis van de relevante wetgeving en volgt het voor de natuurgeneeskunde relevante overheidsbeleid. Hij heeft tevens oog voor de ontwikkelingen op het gebied van wensen en rechten van patiënten, en voor de opvattingen van zorgverzekeraars.
17. Gedragscode De ABNG-2000 arts onderschrijft de gedragscode van de KNMG.
18. Klacht- en tuchtrecht De ABNG-2000 arts onderschrijft de “Klachtregeling Geneeskundige behandeling door additief / alternatief werkende artsen”, zoals overeengekomen met het NP/CF. Deze klachtregeling wordt voor de ABNG-2000, tezamen met vier andere lidverenigingen van de AAG in de AAG-klachtencommissie uitgevoerd. De ABNG-2000 heeft een adequaat functionerende tuchtcommissie.
19. Beroepsaansprakelijkheidsverzekering Zodra de ABNG-2000 arts zijn praktijk begint, draagt hij zorg voor een deugdelijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
|